Studenten in de oorlog

In het voorjaar van 1943 werd door de Duitse bezetter geeist dat de studenten een "Loyaliteitsverklaring" zouden tekenen. Degenen die dat weigerden, en dat waren praktisch allen behalve de NSBers, moesten zich melden voor tewerkstelling in Duitsland.


Deze studenten werden verzameld in het kamp "Ommen". In dit kamp werd bekend dat het beroepspersoneel van de drie strijdmachten, d.w.z. onderofficieren en manschappen, de officieren waren al weg, wederom in krijgsgevangenschap zou gaan.

Een aantal studenten, vnl. leerlingen van een school voor reserveofficieren, is toen naar de Duitsers gegaan met het verzoek eveneens in krijgsgevangenschap te gaan. De motivatie hiervoor was dat ze dan niet in de oorlogsindustrie tewerk konden worden gesteld en ook verder de bescherming van het verdrag van Genève zouden hebben.

Vanuit het kamp Ommen werden we in goederenwagens vervoerd naar Alten Grabow, een grote Truppenubungsplatz ten westen van Berlijn,de voeding was hier totaal onvoldoende maar dat kwam vermoedelijk omdat men de onderoficieren. die niet hoeven te werken, tot werken wilde dwingen. Na een kort verblijf in Alten Grabow vertrokken we weer per spoor naar Straatsburg. In de goederenwagens stonden banken en in Darmstadt kreeg we voedsel van het Duitse Rode Kruis.

Nabij Straatsburg werden we ondergebracht in een Duits fort, Kronprinz, uit de tijd van Bismarck. Het verblijf in dit fort was niet prettig. Het voedsel was totaal onvoldoende en de watervoorziening deed het niet. Wederom na een kort verblijf werden we overgebracht naar Stuttgart. Hier werden we ondergebracht in een tentoonstellingsgebouw, gelijkende op het oude gebouw van de RAI in Amsterdam.

Het verblijf aldaar was van korte duur, want bij een bombardement op Vrijdag 8 October ging de Stadthalle in vlammen op. Reeds de volgende dag werden we ondergebracht in de Schwab/Moltke Schule, waarvan de kinderen vertrokken waren naar het platteland. Deze verhuizing betekende voor ons een hele verbetering, een eigen klaslokaal, goede sanitaire voorzieningen en zeer redelijk voedsel.

Het enige dat eraan mankeerde was een goede schuilkelder, maar die hebben we tenslotte zelf gebouwd. De bombardementen werden frequenter en zwaarder. Nu hadden de Duitsers de gewoonte na een bombardement de poort open te zetten teneinde ons de gelegenheid te geven wat te gaan helpen. Ik had daar nooit gebruik van gemaakt omdat ik vond dat de Duitsers hun eigen boontjes maar moesten doppen.

Maar op een gegeven ogenblik had ik niets meer te roken, en dat was aanleidng voor me in de nacht van 19 op 20 October 1944 na een bombardement toch maar de stad in te gaan. Al spoedig zag ik een bejaarde man en vrouw die een koffer zeulden. Ik bood mijn hulp aan en nam de koffer van hen over. We kwamen in een straat met een rijtje armelijke huizen. Ik kreeg een Schnaps en een pakje sigaretten en wilde mijns weegs gaan. Maar de huismeester hield me staande. Ik kreeg een emmer water en een ouderwetse glazenspuit, zoals men thans nog wel in antiekzaakjes ziet, met de opdracht vanuit het trappenhuis de brand in het buurhuis te blussen.

De emmer was zo leeg en er bleek geen water meer te zijn. Ik kreeg nog een pakje sigaretten en ging mijns weegs. Ik kwam bij een redelijk goed huis dat in lichterlaaie stond. De bewoners stonden er naar te kijken. Onder hen bevond zich een jonge vrouw, erg verdrietig, die getroost werd door een Duitse Feldwebel. Ons werd gevraagd spullen uit de kelder te halen. Zo gezegd zo gedaan, wij de kelder in.

Nu is het in Duitsland zo, dat er weinig eengezinswoningen zijn. In bijna alle huizen wonen meer gezinnen. Dit brengt met zich mede dat de kelder en de zolder in compartimenten zijn opgedeeld. Niemand had een sleutel en we konden niets doen. Toen hoorden we het huis boven ons instorten. Zo snel als we konden vluchtten wij in een verbindingsgangetje naar het buurhuis. (In de oorlog waren in praktisch heel Duitsland de kelders door vluchtgangen met elkaar verbonden) Toen we weer buiten kwamen werd het meisje nog steeds getroost, nu echter niet meer door de Feldwebel maar door een Hollandse Marinier! Ik overwoog weer terug te gaan naar het kamp; ik had per slot van rekening mijn sigaretten en daar ging het om.
Toen hoorde ik in de verte de sirenes gaan. Niet in Stuttgart want die waren kapot door het bombardement. Ik zette het op een lopen om terug te gaan naar het kamp. Maar aan beide zijden van de weg stonden de huizen in brand. De vuurtongen lekten naar buiten en op de volgende verdieping weer naar binnen. Even maakten zich paniekgevoelens van mij meester omdat ik de weg niet precies meer wist. Ik raapte mezelf bij elkaar en kwam weer bij zinnen en zette het op een lopen.

In het kamp aangekomen rolde ik het souterrain in. Ik zat nauwelijks toen de deur tegenover me open ging en wie zag ik daar? Jawel hoor, de aalmoezenier, de veldprediker en de arts. Ze hadden de grootste lol en ze hadden de armen om elkaar heen geslagen. Typisch te diep in het glaasje gekeken. Ik weet niet precies wat er gebeurd is maar ik vermoed dat de aalmoezenier nog wat onder de kurk heeft gehad en toen tegen de anderen heeft gezegd: "Jongens, zullen we er eentje nemen op de goede afloop?"

Door: Dr. Ir. A.P. Kole

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

<>Vakantie vanaf Brussel Airport