De Zeereis Naar Indië

Rudy Kousbroek is schrijver. Hij werd in 1929 geboren in Nederlandsch-Indië. Hier vertelt hij over een reis uit Nederland met een grote oceaanstomer terug naar huis. Vroeger bestonden er ook al kinderen, ik was er een van. Ik was vijf toen we uit Holland teruggingen naar Indië, niet met een vliegtuig maar met de boot; dat was zo'n ongelofelijke belevenis dat ik mij er nog veel van herinner.



Een zeereis op een grote oceaanstomer, dat zou je één keer in je leven moeten meemaken. Jammer dat dat voor kinderen van nu niet meer is weggelegd: zulke passagiersschepen bestaan niet meer. Stel je voor dat je rondloopt in een reusachtig gebouw, het mooiste en grootste gebouw dat je kent, tien verdiepingen hoog, van binnen prachtig ingericht, met grote zalen, lange gangen, glinsterende vloeren en schitterend verlichte trappen – en dan voel je opeens dat het gebouw beweegt, het begint te trillen! Je denkt even dat je droomt maar dan dringt tot je door dat het hele gebouw in zee drijft, met al die tien verdiepingen; je kijkt naar buiten en je ziet dat er een straat, een heel plein van zeewater is ontstaan tussen het gebouw waar je in zit en de kade waar mensen nog staan te wuiven. Je wuift terug en je ziet ze snel kleiner worden.

Overal varen zeilscheepjes en motorboten. Dan klinkt onverwachts een overweldigend geluid, een dreunende stoot op de scheepstoeter – en nog een, en nog een, oorverdovend, en dan weet je: we varen, ik ben op een schip, we gaan de zee op. Even later mag je mee naar boven, naar het sloependek, een lange wandelweg met relings waar een hele rij houten boten hangt. Dat zijn de reddingsboten, voor als het schip vergaat. Daarachter zie je de schoorsteen, groot en zwart; er komt een hijgerig puffend geluid uit. Daar sta je dan aan dek, in de wind. Er vliegen nog een paar meeuwen met het schip mee. Voor je uit is niets dan zee, en achter het schip een brede rechte weg van glad en woelend water; dat is het kielzog, veroorzaakt door de schroeven, aangedreven door immense trillende machines ergens helemaal onderin het schip. Nog weer later mag je met de machinist mee om ze te zien: er gaat een ijzeren deur open en je verdrinkt opeens in een onvoorstelbaar lawaai. Daar staan ze, massieve zwarte machines van drie verdiepingen hoog, met ijzeren laddertjes en hekjes bovenop, overal elektrische lampen en roodkoperen buizen en meters met trillende wijzers.

Als de ijzeren deur weer achter je dicht gaat is dat donderende lawaai weer ver weg, teruggedrongen naar de ingewanden van het schip, maar je beseft dat het altijd blijft doorgaan; je staat weer in zo'n verlichte gang met links en rechts trappen naar boven en naar beneden. En dan weet je het weer, we zijn 'aan boord', we gaan terug naar Indië, naar ons eigen huis, met de boy en de baboe en de kebon en de poes en de honden en de blauwe bergen aan de horizon. Als je een beetje een idee wilt hebben hoe zo'n schip er van binnen uitzag, vraag dan of je eens rond mag kijken in Hotel des Indes in Den Haag, of in het Amstel Hotel in Amsterdam, of in de eetzaal van Hotel Krasnapolski – daar is ook een plafond dat helemaal van glas is gemaakt. Die had je op die schepen ook, de eetzalen waren binnenin het schip en daarom waren er geen ramen. In plaats daarvan waren er van die grote glazen koepels, schitterend verlicht; overal kroonluchters en beeldhouwwerk en palmen, maar het allermooist waren de siertrappen in de eetzaal.

Het was of de makers van die Indische mailboten besloten hadden met elkaar te wedijveren om die schepen van binnen zo mooi mogelijk te maken, mooier dan enig gebouw op het land, mooier dan een paleis, versierd met het beste dat moderne kunstenaars van die tijd konden maken. Zo kwam je terecht in een pracht en luxe die je anders als kind en zeker als Indisch kind nergens ooit te zien kreeg. Ik heb later zoveel ik kon over die schepen gelezen, daardoor weet ik soms niet precies meer wat ik als kind zelf gezien heb en wat ik ken van foto's, maar wat ik me nog goed kan herinneren is hoe ik daar rondliep als in een droom. Er waren rooksalons en bars en danszalen, en dan al die mensen in prachtige kleren, mijn vader in smoking, dat had ik nooit eerder gezien, en mijn moeder in een lange zijden jurk; er werd gedanst op live music, walsen en tango's gespeeld door 'het strijkje', meestal een viool, een cello en een piano. Maar verder was het overal stil, geen muziek uit luidsprekers in de gangen, alleen op gezette tijden het geluid van de xylofoontjes die de Javaanse bedienden voor hun buik droegen en waarmee de passagiers naar de eetzaal werden geroepen.

De reis duurde bijna drie weken. Je denkt nu: een vliegtuig gaat lekker vlug, je bent er in één dag, maar dat is het juist: je hebt 24 uur lang vastgebonden gezeten in een stoel, je komt geradbraakt aan en je hebt onderweg niets gezien. Het geweldige van de zeereis was juist geen haast te hebben, het onbeschrijfeijke gevoel van veilig 'aan boord' te zijn, 18 dagen lang, met niets te doen dan lekker eten en luieren in dekstoelen, kijken naar de zonsondergangen op zee, naar de palmen en de woestijn met hier en daar een kameel wanneer het schip door het Suezkanaal voer, en dan de kale, rose en oker gloeiende bergen in de Rode Zee – en te gaan winkelen en sightseeën in de steden die onderweg werden aangedaan.

De meeste Indiëgangers vertrokken met de trein uit Holland en gingen aan boord in Marseille of Genua. Ik kan me dat nog vrij goed herinneren, en ook hoe we aan land gingen in Port Said en Colombo. Daar werd je bestormd door goochelaars die kuikentjes uit je neus haalden en wat Hollands spraken ('één kippetje twee kippetje! Sterk zeg!'). Ook heb ik daar slangenbezweerders gezien die maakten dat cobra's zich oprichtten uit hun mand en wiegden op de fluitmuziek, en een fakir in een gestreepte jurk die een mangapit liet kiemen zodat er een boompje uit groeide. Het indrukwekkendste was het weer aan boord gaan, vanuit een motorbootje, want dan keek je tegen dat gigantische schip op, torenend uit het water als een grijze bergwand, vol klinknagels en patrijspoorten en stralen water die hier en daar uit die muur klaterden. Ik vergat nog te zeggen dat er in de hutten zout water uit de kraan kwam; ik zie nog het bad vollopen met zout water waar de zeep in bleef drijven: speciale zoutwaterzeep, want gewone zeep wil in zout water niet schuimen.

Voor kinderen waren er speciale voorzieningen. Er was het 'kinderdek', waar we stomme spelletjes moesten doen onder leiding van 'de kinderjuffrouw' een soort verpleegster met een knoetje en een schort voor. Onder haar leiding werd er gezongen in de kring, en halma of pingpong gespeeld en voorgelezen. Verjaardagen van kinderen werden gevierd met limonade en feestmutsen, en aan het eind van de reis was er ook een gecostumeerd bal, net als voor de volwassenen. Achteraf begrijp ik beter watvoor angsten er moeten hebben bestaan dat een kind iets zou overkomen, overboord vallen of alleen maar zoekraken. Zo'n schip was een onvoorstelbare doolhof met al die trappen en gangen, verdwalen was er doodgemakkelijk, zelfs voor volwassenen. Het schip leek zo knus en veilig, met zo gezellig 'alles aan boord': een dokter, een ziekenboeg, een winkel, een kapperszaak, een bibliotheek, een postkantoor, een eigen drukkerij waar het scheepskrantje werd gedrukt, een gymnastiekzaal, een zwembad – maar ook Het Gevaar voer mee. Je stond er niet bij stil, maar uit de boeken blijkt dat zich wel degelijk allerlei onheilen konden voordoen: een passagier vermist, vechtende schepelingen, aanvaringen, sterfgevallen, averij, gebroken roer, lekkage, brand en storm. In een werkelijk zware storm sloegen er enorme zeeën over de dekken en soms werden ramen en patrijspoorten ingedrukt. Bij het manoeuvreren en afmeren ging er soms iets mis; wat bijvoorbeeld sterk tot mijn verbeelding spreekt is een afknappende staalkabel, die als een verschrikkelijke zweep over dek slaat. Hoe zou je nu tegen zo'n reis aankijken? Een van de dingen die ik veel later hoorde is dat de Nederlandse mailboten naar Indië in het buitenland bekend stonden omdat er in de eetzalen stilte in acht werd genomen voor het gebed. Of het aan alle Indiëgangers besteed was betwijfel ik, maar de Hollandse schepen waren weergaloze kunstwerken, zoals geen enkel gebouw op het land. Als je daaraan denkt is het niet te geloven dat niet één zo'n schip bewaard is gebleven, nergens ter wereld. Enkele van die schepen zijn getorpedeerd tijdens de Tweede Wereldoorlog, daar bestaan aangrijpende foto's van. Maar sommige van die drijvende paleizen zijn ook gewoon verkocht voor de sloop.

De afvaart van de Indiëboten was vaak hartverscheurend. Dan braken de serpentines die tussen kade en schip heen en weer werden gegooid en de mensen wisten dat ze elkaar misschien nooit meer zouden zien. Er is nu haast niets meer dat aan die reizen herinnert. Jarenlang hadden we nog een matrozenpop van blauw pluche, met de naam van het schip op de linten van zijn muts: een relatiegeschenk van de rederij; ook een rozenhouten speelkaartendoosje met de ingelegde initialen van de maatschappij er op; dat doosje heeft mijn moeder haar hele leven vergezeld, thuis op Sumatra en de hele internering door, daarna in Holland tot in het bejaardentehuis. Nu heb ik het, en het is later voor mijn kinderen.

door Rudy Kousbroek

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

<>Vakantie vanaf Brussel Airport