'Het verhaal van mijn ouders'

Het enige wat ik thuis gehoord heb over WO-II waren heel soms een paar opmerkingen midden in een gesprek aan het adres van de Japanners of de Indonesiërs. Opmerkingen die zich opdrongen maar ook gauw weer naar de achtergrond verdwenen. Opmerkingen waardoor het verleden eigenlijk al een heel klein beetje geopend werd. Daarover werd gewoon niet gesproken, alsof het een stilzwijgende afspraak was tussen al die Indo's om mij heen. Ze leefden "hier, nu en vooruit" en over wat geweest was geen woord. Naar buiten toe leek het moederland vergeten, maar in de keuken leefde zij voort door de trassi, bawang putih en peteh. Vader en oma legden hun ziel in het koken.



Bij ons thuis werd Nederlands gesproken doorspekt met Maleise woordjes, veelal uit de keuken. Het was niet aardappelen maar kentang; niet spinazie maar bajem..... koreh, ketimun, sotil, karetje, bulzak ...... Geen woord over het moederland zelf. De ontvangst in het vaderland hadden ze zich trouwens heel anders voorgesteld maar ze deden hun best om goede "medelanders" te zijn. En hun geschiedenis die bleef voorlopig ver weggestopt.

Wij kinderen kregen een goede schoolopleiding (want: kennis is macht!) en we integreerden moeiteloos in de maatschappij. Zelf verging het mijn ouders moeizamer en de armoede zijn ze niet te boven gekomen. Mijn vader kreeg bronchitis, werd later erg ziek en overleed. Mijn moeder had last van onverklaarbare hartkloppingen en nachtmerries. Jaren gingen zo voorbij. Toen kwam het moment dat het weggedrukte niet meer tegen te houden was en naar buiten stroomde. Mijn moeder schreef haar verhaal op en ik kreeg een kopie. Ik las het in één ruk uit.



Ik las wat ze allemaal had meegemaakt vanaf 1941 toen Japan Nederlands-Indië binnenviel, tot aan haar repatriëring naar Nederland, het vaderland, in 1952. Terzijde: Japan en Duitsland hadden een pact gesloten over machtsuitbreiding. Japan had wel belang bij Nederlands-Indie vanwege haar rijke delfstoffen. Ik las hoe ze in 1941, 18 jaar oud, net geslaagd voor haar eindexamen en gereed was voor haar eerste baan. Ze heeft nooit mogen werken. De hele gemeenschap werd uit elkaar geslagen, bezittingen in beslag genomen, boeken en foto's verbrand. Mannen werden opgeroepen en afgevoerd naar de werkkampen. Mijn moeder vertrok met haar moeder en haar zusters met kinderen de stad uit en ze gingen wonen in een groot huis van een kennis. Ze konden in de bijgebouwen verblijven. Deze gebouwen waren eerst van de Indonesische hulpen geweest, maar deze waren vertrokken want het was ten strengste verboden voor de Indonesiërs nog voor de Europeanen te werken. Veel vrouwen en kinderen gingen zoveel mogelijk bij elkaar wonen zodat ze voor elkaar konden zorgen en de kosten delen, waaronder de hoge huur. Dientengevolge waren de huizen overvol, elke plek werd benut tot zelfs badkamer en toilet. Ook waren er geen markten meer en het leger had alles wat eetbaar was in beslag genomen. In plaats daarvan kregen de mensen rijstbonnen waarvoor ze uren in de rij moesten staan. Het gerecht, eetbare planten, zochten ze zelf voor dag en dauw op de velden. Het leven was hard en duur geworden.

In hun drang om te overleven werden de vrouwen heel vindingrijk. Mijn oma ging handelen tussen enerzijds de Arabische en Chinese kopers en anderzijds de Indische verkopers. Daarvoor liep ze op zelf gemaakte "schoenen", plankjes met riempjes om de voeten, uren in de hitte om kopers te vinden. Mijn tante had een vergunning om suiker te kopen en maakte snoep om te verkopen. In de tuin onder een boom zat een andere tante de hele dag boven een enorme ijzeren pan koffiebonen te branden op zelf zelfgesprokkeld hout. Een hels karwei. Midden in de rookwolken moest ze goed opletten dat de bonen niet te zwart, want dat gaf bittere koffie, maar ook niet te licht van kleur werden. Op een dag werden er hele partijen wol bezorgd en de aangewezen dame uit de groep moest lange onderbroeken voor de Japanse soldaten breien. Mijn moeder breide mee. Ondertussen werd de groep dag in dag uit stevig gecontroleerd door het kamponghoofd / wijkhoofd, of ze de tijd wel nuttig besteedde. Toch hadden ze het betrekkelijk goed, ze konden zich redden. Maar er waren ook vrouwen met kinderen die niets meer bezaten; geen geld, geen werk, niets anders meer hadden dan hun lichaam te verkopen aan de bezetter. Om hun kinderen te redden! Arme heldinnen.

Voor de jonge meisjes dreigde er een extra groot gevaar. In Bondowoso was een bordeel ingericht speciaal voor de Japanse soldaten. Om aan meisjes te komen waren er regelmatig razzia's. Mijn moeder is aan dit lot ternauwernood ontsnapt! Zij heeft tijdens zo'n kaping vreselijk gegild (tot schande van de Japanners) en is toen wonder boven wonder vrijgelaten. Echtparen lieten ze met rust en mijn nog zeer jonge vader en moeder besloten toen te trouwen. Een jaar later kwam mijn oudste broer ter wereld, in 1945.


Bersiap ("weest paraat") september 1945 - december 1945

Op 6 augustus 1945 werpen de Verenigde Staten de eerste atoombom op Hiroshima om Japan te doen beseffen dat ze zich moesten overgeven. Ongeveer 130.000 mensen werden gedood, gewond of vermist. De Amerikanen hadden in de strijd tegen Japan in een paar jaar tijd enorme verliezen moeten incasseren aan mensen en materieel.

Japan gaf zich daarop onvoorwaardelijk over en de Indonesiërs grepen nog meer macht. Bendes trokken op en vermoordden veel (Indische-) Nederlanders. Die moorden werden gepleegd door Indonesische mannen die weigerden hun haar te knippen totdat alle Nederlanders verdreven zouden zijn. Hun wapen was een bamboespeer en ze heetten "ploppors". Om de Europeanen tegen de plaatselijke bevolking te beschermen richtten de Indonesiërs interneringskampen in. En zo stopte er op een morgen een truck van het leger voor de deur en beval de hele groep in te stappen. Op een plein aangekomen werd de groep in tweeën gesplitst. Een groep met mannen en jongens vanaf 12 jaar en een groep van vrouwen en kinderen. De vrouwen en kinderen, ongeveer 200 personen, gingen naar kamp "Sekarpoetih", zo'n 15 km van Bondowoso. Het was het eerste kamp in een lange rij. Het kamp was omgeven door een hoge omheining en binnenin stond een grote bamboeloods. Tegen beide zijkanten was een bamboeverhoging gemaakt van 2 meter breed, dat was het bed. Iedereen sliep zij-aan-zij op de harde planken. Tweemaal daags was er een kop warme thee en een bord rijstepap. Na drie maanden verhuisde de groep naar het Indonesische kamp "Kotok", ongeveer 20 km van Djember. Dat was een lange straat met aan weerskanten villa's met daaromheen een 3 meter hoog bamboehek. Er waren 5 villa's: blok A, B, C, D en E. Mijn moeder, oma en de baby kregen de voorraadkamer, 2 x 3 m in blok E en ze sliepen op de vloer op een bundeltje kleren. In dit kamp moesten ze zelf in de tuin koken. De pan was een grote emaille emmer en er werd om de beurt gekookt. Ze kregen een rantsoen rijst en wat groente. Het rantsoen was echter zo klein dat er gevochten werd om de restanten van zelfs zieken met tbc! De wc was een greppel waarover twintig plankjes lagen; er konden dus tien personen tegelijk hurken achter een laag hekje en er was geen dak boven het hoofd. Het was bijzonder gênant en ieder probeerde de vrijkomende geluiden te overstemmen. Dat was geen doen want velen hadden diarree.

Natuurlijk had ik wel eens wat gehoord over die oorlog maar had er niet het juiste gevoel bij gehad. Zoals bij het verhaal over mijn oma bijvoorbeeld. Rond de kampen was steevast een hoge bamboe-omheining en de geïnterneerden kwamen er snel achter dat je de latten vaneen kon schuiven. Je kon contact maken met de landbouwers buiten het kamp, je kon handelen, ruilen. Dat was evenwel verboden en er stond een zware straf op. Oma handelde toch, mijn fiere, dappere oma. Zij waagde haar leven voor de babies en kinderen. Op een morgen ruilde zij een servet tegen een kip (van een katoenen servet kon een broek of bloes gemaakt worden), toen zij betrapt werd door de wacht. Met de kip in haar hand en het geweer in de rug liep ze voor de soldaat uit naar het kantoor. Mijn moeder zag nog dat ze moest knielen en werd toen weggestuurd. Laat in de middag kwam oma terug. Niemand is ooit te weten gekomen welke straf ze ondergaan heeft.

Of het gevoel bij het verhaal over mijn vader, juli 1946. Mijn vader zat in het mannenkamp "Bataan" en toen ik geboren was kreeg hij een vergunning om moeder en baby te bezoeken. Er waren nog een paar mannen die ook toestemming kregen hun vrouwen op te zoeken. De mannen waren onherkenbaar! Als Tarzan gekleed met alleen maar een lap tussen de benen, dat vastgehouden was met een touw om het middel, liepen ze het vrouwenkamp binnen. Ze mochten een uur blijven.

Na de Japanse overgave kwamen veel door hen weggevoerde mannen terug op Java, in 'bevrijd' gebied. Zij mochten hun gezinnen opeisen. Mijn opa keerde niet terug uit Birma. Ook het vrouwenkamp werd steeds leger maar nog steeds was er de dreiging van de vijandige lokale bevolking. Daarom werden de vrouwen in oktober 1946 verplaatst naar het interneringskamp "Malang" na eerst, voor het vertrek, gefouilleerd te zijn door Indonesische vrouwen. Mijn moeder herkende het vroegere klasgenootje dat haar fouilleerde, zij mijn moeder niet.

Kamp Malang lag in een stadswijk in de bergenbuurt, een prachtig, heuvelachtig gebied. Er was een katholieke kerk in het kamp en een eigen Hollandse dokter. Voor de oorlog had de elite hier in de villa's gewoond. Tegelijk met het vrouwenkamp was ook het mannenkamp van mijn vader opgeheven en menig gezin vond elkaar hier weer terug. Ook mijn vader kwam weer "thuis". Het eten in kamp Malang werd bereid in een gaarkeuken maar voor de brandstof moesten de bewoners zelf zorgen. Dat was er niet dus zat er niets anders op dan de huizen te slopen. Het eerst gingen de deuren en later al het andere houtwerk in vlammen op. Het kampleven had haar bewoners dusdanig afgestompt, dat zij dit inmiddels normaal vonden. Op 6 april 1947 reisden ze verder naar het "Minang Kabau-kamp" in Batavia. Bevrijd gebied, ze zagen Hollandse soldaten!

Hier kregen ze KDP-kaarten (displaced person), een paar gymschoenen, een stel bovenkleding en een stel ondergoed. Maar dat was nog niet alles. In de kampen was ook veel ongedierte: ratten, luizen en vlooien. De wanden waren bedekt met hele plakaten luizen. Dus één voor één verdwenen ze achter het gordijn om helemaal grijs weer tevoorschijn te komen; van top tot teen bespoten met DDT. "Minang Kabau-kamp" was slechts een doorstromingskamp en na een paar dagen werd de groep verscheept op het overvolle ms Maetsuyker op weg naar Soerabaja. Daar aangekomen verbleven ze een poosje in het "A-kamp" (vergelijk kamp met Sekarpoetih) om vervolgens door te stromen naar het "B-kamp" in dezelfde plaats.

Het "B-kamp" te Soerabaja was het laatste kamp alsook de laatste verblijfplaats in het voormalig Nederlands-Indië van mijn ouders. Het lag in het havengebied en was een omheinde woonhuizenwijk. De ingang was meteen de toegang tot de kazerne van een onderdeel van het Nederlandse leger. Hier werd het leven eindelijk een stuk beter. Mijn vader kreeg werk en hij kon zijn hobby "kippen" weer uitoefenen. Hij kocht dure eieren van 'Australorps', een groot zwart buitenlands ras en liet die met succes uitbroeden onder een lamp. Stukje bij beetje kwam het normale leven terug. Er was weer voldoende te eten en in de periode tot 1951 kwamen er nog 3 kinderen ter wereld. Maar de toestand bleef gevaarlijk voor de Europeanen. In en om Soerabaja werd nog steeds gevochten. Daarom moest bijna iedereen binnen de omheining van het kamp blijven. Maar ze hadden nog steeds hoop.

Het werd steeds onveiliger voor de Europeanen. Vooral toen eerst de militairen en daarna ook de ambtenaren naar Nederland vertrokken. Er waren zelfs roofovervallen overdag. Collectanten voor allerlei doelen kwamen gewapend aan de deur. En als je "niet thuis" gaf, werden deuren en ramen geforceerd. Noodgewongen verkochten mijn ouders hun huisraad. Door deze alsmaar toenemende onveiligheid en de hoge schoolkosten voor mijn broertje die op een particuliere "school met de bijbel" zat, besloten mijn ouders te repatriëren naar Nederland. Het kostte ontzettend veel moeite om een paspoort en visum te krijgen. De ambtenaar zei: "Dat is nergens voor nodig". Nederland wilde de Indiëgangers niet, dat was hun beleid. Uiteindelijk kregen ze het visum omdat mijn oom zich schriftelijk garant stelde voor de opvang en verzorging in Nederland.

Mijn ouders boekten daarop passage bij de Rotterdamse Lloyd en op 9 augustus 1952 vertrok het gezin met oma uit hun moederland op het ms Sibajak naar Nederland, uitgezwaaid op de kade door mijn oom. Precies een maand later, op 9 september, kwamen ze aan in het vaderland, in de haven van Rotterdam. Het was koud en er woei een gure wind. De Indiëgangers rilden in hun tropenkleding.

Een mengeling van gevoelens kwam naar boven na het lezen van mijn moeders verhaal, maar vooral het gevoel de tijd terug te willen draaien. Was mijn vader er nog maar, ik heb hem zoveel te vragen.

1 opmerking:

Een reactie plaatsen

<>Vakantie vanaf Brussel Airport