voorjaar, 1945
Ik ging een met een buurmeisje op tocht, uit Haarlem-Noord vandaan. Mijn vader en moeder zeiden: 'Ga er maar weer eens op uit, want er is niets meer.' Dat meisje was zestien of zeventien. Toen zei haar moeder -en die waren zo rooms, of ja katholiek, weet je wel, en een stuk of zes, zeven dochters had ze, en één zoon- toen zei dat mens ineens:'En als je het niet kan krijgen, dan laat je je eigen maar naaien.'