Zestig jaar na dato

Het is al meer dan zestig jaar geleden, maar elk jaar in November komen de herinneringen aan de oorlogswinter in 1944 weer naar boven.

Ik was zeventien jaar en telefoniste bij de PTT in Leeuwarden. Er waren in die tijd maar weinig mensen die hun telefoon nog konden gebruiken..Allemaal afgesloten door de Duitse bezetter .Zelf een gesprek tot stand brengen ging ook bijna niet.Een nummer draaien, of intoetsen zoals tegenwoordig, was er niet bij. Bijna alle gesprekken moesten worden aangevraagd en werden door de telefoniste van de PTT tot stand gebracht.
Wij werkten ook ’s nachts en Zondags.

Op Zondag twaalf November 1944 had ik dienst. Op een gegeven moment had ik verbinding met de Directeur van het postkantoor in Den Burg Texel. Hij vertelde mij dat op Texel alle mannen vanaf zeventien tot vijfendertig jaar zich bij de Duitsers hadden moeten melden en met een schip onderweg waren van Texel naar Harlingen.De reden was dat de Duitsers bang waren dat bij een eventuele invasie de jonge mannen de geallieerden zouden helpen. Heel Texel was in rep en roer. Eilandbewoners zijn verknocht aan hun eiland en willen nergens anders wonen. Voor de jonge jongens gold in veel gevallen dat ze nog niet vaak buiten het eiland vertoefd hadden.Een dagje “aan de vaste wal” voor ziekenhuis bezoek of logeren bij familie was het enige. De Duitsers lieten de eilandbewoners niet zo maar passagieren. Den Helder was marinestad en verboden gebied voor burgers, ook voor doorreizende Texelaars.

De Directeur wilde van mij weten of ik gehoord had of het schip al in Harlingen was aangekomen en wat ze verder met de mannen gingen doen. Men was daar op Texel niet gerust op.De grote vraag was: “Waar worden ze naar toe gebracht”

Hij vroeg, of ik hem op de hoogte wilde houden. Dat beloofde ik.Zijn zeventienjarige zoon was aan boord..De vader vertelde dat zijn zoon nog nooit alleen van huis geweest was. Ik ben dus aan het informeren gegaan en vernam dat de boot was aangekomen en dat de Texelaars moesten lopen van Harlingen naar Leeuwarden, en dat was al gauw zo’n dertig kilometer.Veel meer kwam ik die Zondag niet aan de weet.

Maandag lukte het beter, ik vernam toen dat er twee groepen waren. Eén groep was met de boot naar den Helder gebracht en kwam over de afsluitdijk lopend naar Leeuwarden. De andere groep kwam aan in Harlingen. Hun nachtwandeling naar het station in Leeuwarden begon Zondagavond na acht uur, want vanwege spertijd mochten er dan geen gewone burgers meer op straat. De Duitsers hadden inmiddels drie paarden en wagens bij boeren gevorderd, waar de bagage opgeladen kon worden. Ik had die Maandagmiddag dienst tot 4 uur en beloofde de Directeur om erheen te gaan. Onderweg vroeg ik me af of ik er bij zou kunnen komen….

Ze waren onder Duitse bewaking naar het station gebracht en zouden per trein verder vervoerd worden.Ik kon me niet voorstellen dat ik toegang zou krijgen.Maar het liep anders. Nog voordat ik het station bereikte, liepen mij twee mannen tegemoet. Ze vroegen mij waar ze klompen konden kopen.Ik had het vage vermoeden, dat zij wel eens van Texel konden zijn,.en vroeg hen dit. Zij bevestigden mijn vermoeden. Na hun barre tocht in de sneeuw stonden ze in hun schoenen te soppen .Ze dachten dat iedereen in Friesland op klompen liep, dus moest het toch mogelijk zijn om klompen te kopen. Helaas moest ik hen teleurstellen.Schoeisel was gerantsoeneerd. Ook klompen waren daarom schaars. Eén van de mannen was kennelijk postbode; hij droeg een postuniform. Ik informeerde naar de zoon van de Directeur van het postkantoor.

De postbode vertelde dat hij de vader beloofd had een oogje in het zeil te houden. Ineens drong het tot mij door dat ze zomaar buiten het station liepen en vroeg: ”Als jullie zo gemakkelijk het station uit kunnen lopen, waarom gaan jullie er dan niet van door?” Hun antwoord was: ”Waar moeten we naar toe? We kennen hier niemand”. Impulsief zei ik toen :”Kom maar met mij mee, we vinden wel onderdak” Ze hoefden niet lang na te denken, maar wilden wel eerst hun bagage ophalen en buiten de zoon van de postdirecteur was er nog iemand die ze graag mee wilden nemen. Of dat mocht? ”Nou vooruit maar”, zei ik en bedacht daarbij dat, als ik toch plek moest zoeken voor hen, één meer of minder mij ook niet meer uit maakte.

Het was al donker en het sneeuwde nog steeds. Ik bleef wachten en na een minuut of tien zag ik ze aankomen. De Duitsers die de mannen bewaakten, hadden niet gemerkt dat ze vertrokken. De groep, die via de afsluitdijk was komen lopen, was net gearriveerd. Beide groepen kregen van de Duitsers te horen dat ze gezamenlijk op transport naar Assen en Vries gingen. De Duitsers bliezen op fluitjes en schreeuwden: “Im Zug” Op dat moment liep het viertal weg, hun “vrijheid” tegemoet. Duitse wachtposten waren er niet meer bij de uitgang van het station, zij waren waarschijnlijk bij de trein.

Nu ik dit zo schrijf , voel ik weer de spanning. Wat gebeurde er veel tegelijkertijd! We hebben die avond vast een beschermengel bij ons gehad. De vier mannen liepen op een kleine afstand achter mij aan richting mijn huis. Een tractor met aanhanger kwam ons voorbij rijden met erop Duitse soldaten, die luidkeels zongen: “Wir fahren gegen Engeland”.Weer een moment van spanning, wij voelden ons niet veilig. Maar de Duitsers passeerden ons en we kwamen veilig bij mijn ouderlijk huis in Huizum.

Onderweg had ik wel lopen denken: “ Hoe vertel ik dit aan mijn ouders?” We waren met z’n zevenen thuis, plus nog een broer die elders was ondergedoken. Kom ik daar zo maar met vier wildvreemde kerels aanzetten. Door de tuinafzetting en de verduisterde ramen kon niemand in de kamer ons zien. Ik ben toen eerst alleen naar binnen gegaan om mijn ouders voor te bereiden. Achteraf heb ik me er vaak over verbaasd dat mijn ouders dit zo maar geaccepteerd hebben. Ze keken wel even vreemd op maar het viertal mocht meteen binnenkomen.

Het was inmiddels etenstijd en we dachten dat dit problemen op zou leveren, maar nee hoor. Onze gasten waren goed voorzien van etenswaren. Stukken spek, grote eigen gebakken broden en zakken met meel kwamen uit hun zware bagage! We gingen pannenkoeken bakken. Een heel karwei voor elf personen, want wij mochten ook mee genieten. Die avond was het smullen geblazen.

In de stad Leeuwarden was voedsel schaars.Wij konden bij boeren op het platte land wel wat kopen, maar het was heel onzeker of we dat eten ook veilig thuis kregen. De stad werd rondom bewaakt door de Landwacht. Nederlanders, die in dienst van de Duitsers, hun eigen landgenoten controleerden op “smokkelwaar”.Vonden ze het, dan werd het in beslag genomen en had je nog niks. Dus voor ons was het heerlijk om weer eens een goed gevulde maag te krijgen. Na deze smulpartij kwam uiteraard het moment dat we voor het viertal onderdak moesten vinden. Hugo bleef bij ons. Nico en Adriaan kregen een paar huizen bij ons vandaan onderdak, en Tjerk kreeg een onderduikadres een paar straten verderop. Adressen waren dus geregeld. Maar…. Er moesten ook schuilplaatsen zijn. Want ook in Leeuwarden hielden de Duitse soldaten zo nu en dan razzia’s.

Ons huis had een gebroken kap. De wanden van de slaapkamers waren recht opgetrokken.Achter de opgetrokken wanden waren grote bergruimtes, wel met schuin dak en pal onder de pannen. In de bergruimtes maakten we kermisbedden en als het nodig was konden de mannen zich daar schuilhouden. Als het móést konden ze er zelfs de nacht doorbrengen. Bij gevaar voor razzia kregen we op een of andere manier wel een seintje. Soms maakten ze voor niets gebruik van hun schuilplaats, omdat het “loos alarm” was. Toch namen ze liever het zekere voor het onzekere. Als er niets gebeurde in zo’n nacht, kropen ze in onze warme bedden, nadat wij waren opgestaan, zodat zij weer warm konden worden, na de kou die ze geleden hadden die nacht.

Op het adres van Nico en Adriaan , zaten ook een joods meisje en de oudste zoon van het gezin ondergedoken. Toen er jongens van dezelfde leeftijd als de zoon, werden opgepakt in de buurt, durfde hij toch niet meer thuis te slapen en ging ’s nachts ergens anders heen. De Texelaars werden toen ook bang, want als ze kwamen voor de zoon, en hen ontdekten, waren zij “erbij.” De overburen boden aan, dat ze daar ’s nachts konden slapen.’s Avonds deden ze spelletjes met de hele familie.

Na een week leek de kust veilig genoeg om weer “thuis”te slapen, want er was niets gebeurd. De buurman vond het zo gezellig, dat hij er op aan drong nog een weekje ’s avonds te komen slapen. Zo gezegd, zo gedaan.Op zeven Maart hoorde het tweetal ‘s avonds laat Duitse bevelen en gestamp van laarzen. Zij zagen vanuit hun slaapkamer hoe er bij ”hun” onderduikadres aan gebeld werd en op de deur gebonsd. Het hele huis werd doorzocht. De Duitsers waren zeer “gründlich.” Ze voelden zelfs aan de matras van een opklapbed of die warm was. Het joodse meisje lag in haar ledikantje. Met een tegenwoordigheid van geest opende haar pleegmoeder de slaapkamerdeur en zei tegen de Duitsers dat het meisje roodvonk had. De Duitsers gingen ,zonder te kijken,er meteen vandoor, maar namen wel de heer des huizes mee naar de gevangenis om hem daar te ondervragen. Het liep gelukkig goed af, want de volgende dag was hij weer veilig thuis.

De dagen duurden lang voor onze onderduikers. Als tijdverdrijf konden ze kaarten, lezen, puzzelen, eigen verbouwde tabak roken met vloeitjes van bladzijden uit een boek. Het dunne papier zoals van bijbelbladen leende zich daar goed voor. Gas en elektriciteit waren afgesloten. Vooral om de bevolking te intimideren en ze te verhinderen naar de Engelse zender te luisteren.We werden inventief in het bedenken van hulpmiddelen.

Om ’s avonds toch iets te kunnen zien had mijn vader een fiets op een standaard gemonteerd en door middel van trappen werd dan een accu opgeladen.Met een klein fietslampje hadden we ’s avonds toch wat licht. Dat opladen was een klusje voor onze onderduiker. Hij maakte op zijn manier fietstochten overal naar toe. Om eten te koken werden er door handige doe-het- zelvers kacheltjes gemaakt van melkbussen. Daarin werd hout gestookt. Dat hout werd heel klein gemaakt ongeveer potlooddikte. Hout was echter ook schaars. Wat gebeurde er? ’s Nachts werden hier en daar bomen omgekapt uit parken of ook gewoon in een straat. Deze bomen waren openbaar bezit, maar toen wij hoorden dat de bomen bij ons in de straat op een nacht het doelwit zouden zijn van mensen die ergens anders woonden, besloten de gezamenlijk bewoners om dat klusje dan zelf maar even op te knappen. Ondanks het uitgaansverbod voor burgers tussen acht uur ’s avonds en vier uur ’s morgens ,waagden we het erop en hebben we in één nacht al “onze” twaalf bomen omgehakt,doorgezaagd en zo klein mogelijk gemaakt. Het hout moest natuurlijk verstopt worden. Aan de ene kant was het gevaarlijk,aan de andere kant leek het wel een feest. Het was volle maan en we zagen mensen op straat die we nog nooit eerder gezien hadden. Dit bleken ook onderduikers te zijn. Zelfs een joodse jonge vrouw durfde buiten te komen. Mensen die de volgende dag de kale straat zagen, waren stomverbaasd. Voor de onderduikers waren dat kleine hoogtepunten. De berichten van het eiland waren van dien aard, dat onze mannen het niet langer hielden. Hugo en Tjerk wilden, kostte wat het kostte, terug naar hun gezinnen. Als er iets zou gebeuren dan wilden ze erbij zijn.

Er waren op het eiland Russische soldaten. Dit waren Georgiërs die aan het Oostfront gevangen genomen waren door de Duitsers. Ze waren mishandeld en uitgehongerd. Hun enige overlevingskans was: dienst nemen in het Duitse leger.

De Russische president had bekend laten maken, dat alle sovjetburgers geacht werden de nazi’s te bevechten, ook al moesten ze dat met de dood bekopen. Deze Georgiërs wisten dat ze als verraders beschouwd werden. De aanwezigheid van deze Georgiërs zou dus bij een eventuele invasie wel eens moeilijkheden op kunnen leveren.

Toen ze hoorden dat er een boot in Harlingen zou komen, waarmee een deel van de mannen uit Assen terug mochten naar Texel, waagden ze het erop. Openbaar vervoer was er niet. Het hele eind lopen was niet voor herhaling vatbaar. Fietsen waren er ook bijna niet. Maar we wisten voor de twee mannen één fiets te bemachtigen. Op Dinsdag dertien Maart vertrokken ze samen. Angstig bleven wij achter en maakten ons grote zorgen. Hoe zou dit aflopen? Later hoorden wij, hoe ze het hadden klaargespeeld. Het eerste stuk door de stad trapte de een en de ander zat achterop. Maar dat viel op den duur niet mee. Het waren volwassen kerels,die maandenlang geen lichaamsbeweging hadden gehad. Dus bedachten ze iets anders. Ze besloten, om beurten, afwisselend te fietsen en te lopen. Zo hebben ze het gedaan. Na een paar kilometer op de fiets werd de fiets ergens neergezet en als de ander dat punt lopend had bereikt, pakte hij de fiets en kon hij een stuk fietsen tot hij zijn kameraad weer had ingehaald. Zo hebben zij het afgewisseld en bereikten ze zonder moeilijkheden Harlingen. Daar moesten ze aan boord gesmokkeld worden. Gelukkig hadden ze hulp van een bemanningslid die kans zag onder de ogen van de Duitsers de twee mannen te verstoppen.Ze zijn veilig op Texel aangekomen.

Toen er voor de tweede keer een boot kwam om mannen uit Assen terug te brengen naar hun eiland, waagden de andere twee het er ook op. Op Woensdag achtentwintig Maart werden zij met de fiets weggebracht door twee buurmeisjes van het slaapadres.Ook zij fietsten om beurten.. Zonder hindernissen bereikten ze Harlingen via binnenwegen. Ze konden bij kennissen de nacht doorbrengen ,want ze wilden de volgende morgen vroeg aan boord gaan. Op de kade zagen ze al bekende gezichten, mannen die in Assen gewerkt hadden. Deze vroegen waar zij vandaan kwamen, daar hebben ze op dat moment maar geen antwoord op gegeven. Er waren ook nog meer verstekelingen. Het bemanningslid dat de mannen zou opvangen, was er helaas niet. Later bleek dat hij door de Duitsers was gevangengenomen, omdat hij een onderduiker van het eiland wilde meesmokkelen naar de vaste wal.

Toen de boot om één uur net van de kade los was, kwam er met een noodgang een Duitse auto aanrijden. De militairen die eruit sprongen, gaven te kennen dat de boot weer moest aanleggen. Dat werd spannend. Alle mannen moesten van boord. De onderduikers verstopten zich. Eén voor één werden de namen van een lijst afgelezen. De afgeroepen persoon meldde zich en mocht dan weer aan boord. Gelukkig werd het schip niet doorzocht en liep het met een sisser af. Toen ze de haven van Oudeschild naderden, moesten alle verstekelingen, het waren er toch wel een stuk of twaalf, door een vloerluik om zich onder in het schip te verstoppen.Het schip zou in Oudeschild weer door Duitsers gecontroleerd worden.

In een stikdonkere vochtige ruimte, die niet hoger was dan één meter twintig moesten ze wachten tot er iemand kwam om te zeggen dat het veilig was om er uit te komen. Het wachten was op hetzelfde bemanningslid als in Harlingen, maar die kon dus niet komen, omdat hij opgepakt was, maar dat wisten de mannen niet. Zo nu en dan hoorden ze iemand op dek. Soms werd er in de gangen gelopen.Waarschijnlijk Duitsers. Het wachten duurde eindeloos. Toen het al uren stil was, durfden een paar het erop te wagen om voorzichtig het luik op te tillen en naar buiten te gaan. Toen er geen geluid aan boord of op de kade gehoord werd, zijn de anderen ook na elkaar vertrokken. Het was donker en via binnenpaadjes hebben Nico en Adriaan uiteindelijk hun huis bereikt,waar de families heel verrast waren over hun terugkeer

De opstand die op zes April uitbrak op Texel hebben ze allemaal meegemaakt en heeft tot twintig Mei geduurd. De Duitsers boden tot het uiterste verzet en er sneuvelden nog veel mensen terwijl wij op het vaste land al bevrijd waren
.
Leeuwarden werd op 18 April door de Canadezen bevrijd.

Deze ervaring draag ik voor altijd mee en heeft gezorgd voor een bijzondere blijvende band met hen. Wij hebben altijd contact gehouden. Behalve met Tjerk. Hij is tamelijk kort na de bevrijding met zijn gezin naar Australië geëmigreerd. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord. De postbode is overleden, maar Hugo en Nico spreek ik nog regelmatig

Ingezonden door:
Mevr. Y.Bouma

Beverwijk

4 opmerkingen:

Anoniem zei

Wat een verhaal! Ik heb alles gelezen. Wat bijzonder om dat mee te maken en wat moet het spannend zijn geweest... Het is mooi geschreven, ik zat helemaal in het verhaal. Ik heb er eigenlijk geen woorden voor. Dank voor het delen van je ervaring.

Anoniem zei

ik ben het met je eens.
ik ben 14 jaar oud en moet een opdracht maken voor geschiedenis over de 2de wereldoorlog.
de opdracht is om een verhaal op te zoeken over de oorlog en daar een kunstwerk of tekening of iets anders bij te maken.
Ik ga dit verhaal kiezen en ik ga er een schilderij van maken.

Bedankt voor dit prachtige verhaal.

Anoniem zei

Heel erg mooi ik moest iets doen van school en dat is voltooid.

Anoniem zei

Goed verhaal. Ik ga het gebruiken voor school, dankjewel.

Een reactie plaatsen

<>Vakantie vanaf Brussel Airport