Oorlogsverhalen, opgetekend door Jef Maanders



A.H.T van Beekvelt (20-12-1925) was van 1943 tot de bevrijding van Helmond op 17-09-1944, ondergedoken bij zijn huidige zwager. Kwam toen bij de Binnenlandse strijdkrachten en is daarna in Oostende in dienst gekomen. Vandaar ging hij met de “Vienna” naar Tilbery in Engeland en werd ingedeeld bij de RAF. Na diverse opleidingen werd hij tewerkgesteld als boordwerktuigkundige. Vloog regelmatig boven de Atlantische oceaan voor het opsporen van Duitse duikboten. In november 1946 kwam hij terug in Nederland. Kreeg toen als taak de Engelse benamingen aan de Nederlanders uit te leggen. Op 11 mei 1947 is hij overgeplaatst naar Woensdrecht voor een vliegcursus. Na een crash werd hij overgeplaatst naar Twente en bijn onmiddellijk daarna heeft hij de dienst verlaten. Van opvang van Rijkswege was toen geen sprake. Heeft wel begrip voor de tegenwoordige opvang van de uitgezonden militairen, maar vind het teveel “Amerikaans” met het toekennen van de lintjes.



2

Seelen (14-11-1927) is in januari 1945 te Bergen op Zoom als vrijwilliger in dienst gekomen. Hij werd ingedeeld in ”Number one Dutch Disposal and Mine Cleaning Coy”(Dit was een onderdeel van het 21e Britse leger). In Blankenberge kreeg hij een spoed opleiding als mijn opruimer. Hij zat in een groep, welke vanaf het Nauw van Calais begon met het opruimen van mijnen tot Zeeuws Vlaanderen. Ze konden niet verder, omdat Nederland toen nog niet verder bevrijd was. Ze werden ondergebracht in een tentenkamp op een weiland bij Groede. Later werd hij overgeplaatst naar West-Kapelle. Na de algehele bevrijding van Nederland werd hij overgeplaatst naar 2 RI. Nu werd de gehele Nederlandse kust afgezocht naar mijnen, met inbegrip van de Wadden eilanden. De kust was nus weer veilig voor de recreanten. Na het opruimen van de mijnen bleef hij nog even in Groningen, maar moest vervolgens naar Limburg, om daar als militair te gaan werken in de “Laura” te Eygelshoven. Zijn taak daar was “Kolen scheppen”. Na de kolenmijnen weer terug naar Bergen op Zoom, om daar uit dienst te gaan. Opvang van Rijkswege was er ook voor hem totaal niet.


3

W.A. Blokland (29-06-1925) is op 8 mei 1946 in de Saksen Weimar kazerne te Arnhem als dienstplichtige in dienst opgekomen. Op 31 juli 1947 is hij met de Volendam naar Nederlands-Indië gegaan. Zijn diensttijd heeft hij volbracht in Batavia en Bandoeng. De leef omstandigheden waren daar goed evenals de contacten, per brief, met het thuisfront. In april 1950 is hij met het Noorse schip de “Goya” terug gekeerd naar Nederland. Bij terugkeer in Nederland mocht zijn familie hem niet van de boot komen afhalen. Ze werden met de bus naar hun woonplaats gebracht. In zijn woonplaats Leidschendam was er een ontvangst door de plaatselijke Harmonie, maar noch de Gemeente of het Rijk, toonde belangstelling. Hij vind de aandacht voor de jonge veteranen goed, maar zou die aandacht in zijn tijd ook wel gehad willen hebben.


4

H. Frijters (25-01-1928) is op 9 maart 1948 te Roermond als dienstplichtige opgekomen. Op 24 september 1948 is hij met de Johan van Oldebarneveld naar Nederlands-Indië vetrokken. Hij bleef tijdens deze periode in Midden Java. De leef omstandigheden waren redelijk. De contacten met het thuisfront waren door regelmatige briefwisseling, goed te noemen. Op 1 juli 1950 is hij met de Amerikaanse boot “Generaal Taylor” weer terug gekeerd in Nederland. De ontvangst in Tilburg was prima, dit kwam door zijn contacten met de verkennerij. Van Rijkswege bestond de opvang in betaling van f. 100,-- en 4 weken verlof. De opvang van de “jonge”veteranen staat in geen verhouding tot de opvang van de “oude”veteranen. Voor de “jonge” veteraan wordt alles gedaan en voor de “oude”veteraan werd totaal niets gedaan.


5

A. Roelands (06-04-1925) is op 4 mei als dienstplichtige opgekomen in Oirschot. Met de Sibajak is hij op 19 november 1946 is hij met de 7 december divisie naar Nederlands-Indië vertrokken. Hij diende daar bij het 1e Regiment Stoottroepen. Heeft de meeste tijd in Semarang gezeten. Het grootste probleem daar was, ze moesten dagelijks langs het kerkhof, war 2400 kameraden begraven lagen. De contacten met het thuisfront bestonden alleen met brieven. Op 5 januari 1950 kwam hij weer terug in Nederland. Hij werd ook met de bus naar huis gebracht. Ook voor hem was er van Overheidswege, geen enkele opvang. Hij vindt de aandacht voor de “jonge” tegenwoordige veteranen overbodig.



6

J. Nagelkerke (29-07-1931) is in november 1951 als dienstplichtige in Den Bosch in dienst gekomen. In juni 1952 is hij met het vliegtuig naar Nieuw-Guinea vertrokken. Zijn 1e plaatsing was aan de zuidkust in Kaimana. De leefomstandigheden waren daar zeer slecht. Iedere veteraan kent het, aardappel, welke meer op stukjes beton leken. Het onderkomen daar was in “Ataps”, dat zijn hutten afgedekt met palmbladeren. De contacten met het thuisfront waren daar slecht te noemen. Tijdens de watersnood op 1 februari 1953, kregen ze pas later bericht van de ramp in Nederland. Voor hem was het zeer pijnlijk, want zijn familie woonde in het rampgebied en was daar ook slachtoffer van. Begin 1954 was hij weer terug in Nederland. Hij was nu beroepsmilitair geworden. Een maand na zijn teugkeer in Nederland ging hij naar Korea. De omstandigheden waren daar zeer slecht, terwijl het een vredesmissie was. Maar hij is levend teruggekomen, maar 124 Nederlanders hebben hun leven gegeven, voor de hen opgelegde taak. Terug in Nederland kwam hij in Deventer en heeft in 1986 de dienst verlaten. Voor hem is de aandacht die de “jonge” veteranen krijgen storend. Ze lopen met rijen lintjes, terwijl ze slechts enkele maanden van huis zijn geweest. Ze kunnen dagelijks contact met het thuisfront hebben, terwijl de “oude”veteranen, slechts per brief contact hadden. Als je geluk had, dan kreeg je met kerst een grammofoonplaatje, met de groeten van thuis, maar het afspelen gebeurde dikwijls onder de slechtste omstandigheden.


7

A.C. Jansen (22-02-1926) is in 1946 in Hulten (bij Tilburg) opgekomen als dienstplichtig militair. Op 29 november 1946 is hij met de Sibajak. Op 5 december 1946 kwam dit schip in de Middellandse zee in een zware storm terecht. Door deze storm was er 1 dode, 13 zwaargewonden en nog 90 lichtgewonden. De dode en de zwaar gewonden zijn op Malta van boord gegaan. Bij aankomst in Nederlands-Indië is hij op vele plaatsen geweest, waarvan 6 weken op een en dezelfde plaats. Hij was ook bij de bevrijding van Djokja, waar ze Soekarno gevangen genomen hebben. De leefomstandigheden daar waren “waardeloos” en de contacten met het thuisfront zeer slecht. Op 27 juli 1947 is hij met de Zuiderkruis weer terug gegaan naar Nederland. Bij aankomst ging het de bus in die hen naar huis bracht. Van Rijkswege was er geen enkele opvang en tevens geen werk. Hij moest toen naar de Rijkswerkplaats om daar een vak te leren. Het verschil tussen de opvang van de “jonge” en de “oude”veteranen is onnoemelijk groot, maar het zij hun gegund.


8

J.W. van Ham (23-07-1928) is net voor de bevrijding even ondergedoken geweest om niet voor de Duitsers te moeten gaan werken. Tijdens de bevrijding is hij door granaat-scherven getroffen is en ernstig gewond geraakt. Hij is 2 maanden opgenomen in het Diaconessenziekenhuis in Breda. Na zijn herstel werd hij dienstplichtig militair en is in Assen opgekomen. Na zijn opleiding aldaar is hij met de Zuiderkruis naar Semarang in Nederlands-Indië gegaan. Hij kwam toen bij 1-15 RI (de blijvertjes). Is ook bij de bevrijding van Djokja geweest en was dus ook de gevangenneming van Soekarno op het vliegveld. Daarna was hij bij de overdracht aan de T.N.I. Na de overdracht ging hij naar de demarcatielijn in Moestilan. Ze waren daar met z’n vieren. Met een bren-carrier kregen ze de opdracht om een heel dorp te beschermen. Ze werden daar ook regelmatig beschoten, maar in de carrier zaten ze veilig en hoorden ze alleen de tikken op het voertuig. Doordat de leefomstandigheden slecht waren, ze hadden geen keuken en moesten het zelf maar zien te regelen. Hij kreeg toen ringworm en moest naar het ziekenhuis in Magelang. Na zijn ziekte is hij met de “Generaal CC Balloe” weer terug gegaan naar Nederland, waar hij aankwam in Rotterdam, vanwaar hij met een bus naar huis werd gebracht. Ook voor hem geen enkele opvang van Rijkswege. Ook is het zijn ervaring, dat de huidige generatie geen enkele aandacht heeft voor de “oude”veteraan.


9

Samenvatting uit het dagboek van Theo B. Gladdines (geboren 27-10-1920 en overleden 23-06-2006) na de bevrijding van Breda heeft hij zich op 1 december 1944 aangemeld alsvrijwilliger en kwam in juli 1945 in dienst. Hij kreeg z’n 1e opleiding bij Oploo, waar hem de 1e beginselen van het militaire leven werden bijgebracht. Na enkele weken werd hij overgeplaatst naar Worcester in Engeland. Op 3 oktober 1945 is hij met de Stirling Castle naar Australië vetrokken met 5000 man, waarvan 1500 Nederlanders en de overige waren Australiërs, die naar huis gingen. Op 29 oktober 1945 kwamen ze aan in Fremantel en daarna naar Sydney, waar ze in beide plaatsen niet van boord mochten. Op 11 november gingen over naar een andere boot de “Moreton Bay”. Tijdens de reis naar het noorden, kregen ze te horen, dat ze niet naar Batavia gingen, maar naar Penang, waar ze op 26 november aankwamen. Op 10 december kregen ze daar eindelijk een tropen uniform en waren ze verlost van de dikke kleren. Tot 5 maart zijn we in Penang gebleven en vandaar gingen we naar Singapore. Op 11 maart 1946 vertrokken we daar weer, nu naar Makassar, waar we op 16 maart 1946 aankwamen. We zijn daar 17 maart weer vertrokken ,nu naar Manado, waar we op 20 maart aankwamen, waar we pas de volgende dag aan wal gingen. Op 26 maart 1946 werd de radio apparatuur getest. Op 2 mei 1946 zijn we eindelijk officieel in de lucht gekomen. Op 31 mei met het vliegtuig vertrokken nar Morotai, waar we de radio apparatuur in orde moesten maken. Op 22 juni met een kleine boot terug gegaan naar Manado, waar we de volgende dag aankwamen en de werkzaamheden daar weer kon hervatten. Op 27 juli zijn we met een landingsvaartuig naar Singaradja vertokken, met ook de radio apparatuur, waar we op 1 augustus aankwamen. Vandaar zijn in colonne op 4 augustus naar Denpassar (op Bali) vertrokken. Mijn werk daar bestond eruit om de radio apparatuur in orde te brengen.


Op zondag 8 september hoorden we schieten en sloegen een paar treffers in, maar het schieten hield gelukkig op. Mar we moesten weer vertrekken, nu op 14 september naar Tabanan. Dit kamp was gelukkig beter dan in Denpassar. Na wat pech werkte de zender weer op 21 september. Op 24 oktober werden we weer overgeplaatst en gingen met de boot “Boissevein”, naar Sumatra. Daar werden we gestationeerd in Pladjoe in een voormalig villa park. Het park was afgezet met prikkeldraad, met daar tussen draden, waar in de nacht 3000 volt opstond om de extremisten tegen te houden. We ijn daar niet lang gebleven., maar naar Palembang gegaan, naar fort Benting, dat geheel ommuurd was met op de hoeken zandzakstellingen. Door de herhaalde aanvallen van de Tri werd het leven in Benting erg riskant en kreeg 8 RS de opdracht om het gebied met een straal van 25 km. rond Palembang van republikeinen te zuiveren. Na die actie zijn we weer vertrokken en kwamen we op diverse plaatsen terecht met veel aanvallen en we hebben daar in totaal 21 strijdmakkers verloren. Na Palembang eindigt het dagboek van Theo. Op 27 juli 1948 zijn we met de Indrapoera vanuit Tandjong Priok weer nar Nederland vertrokken, waar we op 27 juli 1948 in Rotterdam aankwamen en eindelijk weer thuis waren.

Jef Maanders


10

P.A.J. de Laat (10-07-1930) is op 5 oktober 1948 als vrijwilligers te Venlo in dienst gekomen. Op 25 maart 1949 is hij met de Volendam naar Semarang in Nederlands-Indië gegaan. Hij is op 8 verschillende plaatsen op Java geweest, waaronder Seporang, waar hij heeft deelgenomen aan de 2e zuiverings actie. Later heeft nog een keer aan een actie deelgenomen, dat was op de weg van Wonosobo naar Seporang. Bij deze actie was er een gesneuvelde en een gewonde te betreuren. Seporang was tevens zijn laatste plaats. Vandaar ging hij naar Semarang en vervolgens naar Batavia. De leefomstandigheden waren redelijk. Vanuit Batavia is hij met de Amerikaanse boot, de “General Sturgs” weer teruggegaan naar Nederland, waar hij op 5 oktober 1950 aankwam. Het was toen de bus in en weer terug naar huis. In juni 1951 is hij naar de mariniers gegaan. Nu ging hij op 3 maart 1953 met het vliegtuig naar Biak op Nieuw-Guinea. Hij is daar met een uitzondering van een infiltratie in Fak-Fak, waar hij toen 6 weken patrouille moest lopen, maar hier waren gelukkig geen vuurgevechten. Wel is hij met een landingsvaartuig naar Sorong gevaren, om daar gevangen genomen infiltranten naar toe te brengen. In juli 1954 is hij weer met het vliegtuig naar Nederland gegaan. In 1957 heeft hij de dienst verlaten. De leefomstandigheden in Nieuw-Guinea waren slecht. Ze moesten daar aardappelen schillen, maar deze stonken een uur in de wind en waren niet te eten, maar aan gebrek aan iets anders moest je wel het “beton” opeten. Bij zijn 2e terugkomst in Nederland, werd hij met een taxi naar huis gebracht, die echter nergens mocht stoppen, zelfs niet voor een sanitaire stop.


11

M.C. van Gils (21-10-1938) is op 2 jarige leeftijd met familie (zonder zijn vader) vanuit Breda gevlucht naar Antwerpen. Later kwam zijn vader, die ambtenaar was en toen niet weg mocht hun achterna. Op 1 juli 1958 is hij als dienstplichtige als milicien bij de mariniers opgekomen in Doorn. Op 2 november is hij met het eerste vliegtuig dat over de Noordpool en via Japan moest, naar Biak op Nieuw-Guinea vertrokken. Hij bleef 6 weken op Biak om te acclimatiseren. Daarna vertrok hij naar Manokwari om een 4 maanden durende opleiding als infanterist te volgen. Na zijn opleiding kreeg hij als vaste standplaats Sorong. Om de maand kregen ze een andere taak. Een maande allerlei diensten op de wal, een maand patrouille lopen en een maand naar Jefman. Bij het patrouille lopen, viel het hem op, dat er zoveel Papoea’s met verminkingen rondliepen.

Ook zagen ze veel oud oorlogsmateriaal zagen. Voor de kust schepen, in het binnenland veel neergeschoten vliegtuigen. De meeste van de Japanners , maar ook van de Amerikanen. De leefomstandigheden waren daar goed te noemen. Op 4 maart 1960 is hij net het vliegtuig, weer via de Noordpool, naar Nederland teruggekeerd. Op Schiphol stond een gammel busje, wat hun na een geruime tijd naar huis bracht. Zijn familie mocht hem niet afhalen en omdat in die tijd nog bijna niemand een telefoon had, was het niet makkelijk om zijn familie op de hoogte te brengen van zijn aankomst in Nederland. Ook voorhem was er van Rijkswege geen enkele aandacht. Tegenwoordig is de opvang van de uitgezonden militairen buitengewoon goed geregeld. Bij terugkomst staat hun familie hen op te wachten en krijgen ze meteen een herinneringskruis. Voorhem duurde het nog enkele jaren, voordat hij het herinneringskruis ontving. Op 25 maart 1960 heeft hij de dienst verlaten. Via de Com (contact oud mariniers) ontmoet hij nog steeds oude maten.


12

H.L. de Koning (14-02-1927) is 7 november 1946 als dienstplichtige opgekomen in Oirschot. Is 14 februari 1947 (op zijn Verjaardag) met de Kota Baroe uitgezonden naar Ned-Indië en verbleef daar ruim 3 jaar. Hij verbleef de gehele periode op Sumatra en slechts de laatste 2 maanden op Java. Sumatra hij bijna\geheel doorkruist en moest bijna altijd patrouille lopen en ging dan van post naar post. In het begin is hij wel beschoten vanuit de kampong, maar daarna geen vuurgevechten meer meegemaakt. De leefomstandigheden in het begin waren moeilijk, maar doordat de contacten met de bewoners beter werden, verbeterde ook de leefomstandigheden. Ook de contacten met het thuisfront werden na een jaar steeds beter en nu kregen ze redelijk op tijd een brief. Hij is op 23 maart 1950 met de Volendam weer teruggekomen in Nederland. Van Rijkswege was er geen opvang. Zijn inkomen bestond uit een uitkering van f. 10,25. per week. Werk was er niet, daar waren de thuisblijvers mee weg. Deze periode duurde 3 maanden en er kwam een einde aan, omdat hij op de Rijkswerkplaats geplaatst kon worden. Daar kreeg hij f. 25,-- per week met een premie van f. 2,0. Omdat de tijd zo zeer veranderd is, is de situatie voor de jonge veteraan nu veel beter en zij krijgen de aandacht, die de oude veteranen ook zouden moeten hebben.


13

J.C. van Ooijen (09-09-1926 ). Omdat hij bij een bakkerij werkte kreeg hij een Ausweisz, zodoende moest hij niet naar Duitsland om daar de economie op gang te houden. Tijdens zijn werk werd hij wel eens aangehouden, moest dan een mansput graven en kon dan weer verder met zijn werk. Direct na de oorlog is hij als oorlogsvrijwilliger in dienst gegaan. Op 1 januari 1945 is hij via Oostende naar Engeland gegaan. In Londen is hij op de boot ´Oranje Nassau” gekeurd, werd goedgekeurd voor de Marine en kreeg ook gelijk zijn uniform. In Ipswich kreeg hij gedurende 3 maanden een opleiding Daarna is hij gaan varen op de HM. Tjerk Hirdens. In augustus 1945 werd hij geplaatst op HM van Gaal en ging hiermede op 15 september 1945 naar Nederland Indië. De van Gaal voerde controles uit en zodoende heeft hij de gehele archipel doorkruist. Omdat het voedsel op de boord te eenzijdig was en ze vitamine tekort hadden, gingen ze ook naar Australië, om daar nieuwe energie op te doen. Als kok aan boord waren de leefomstandigheden niet slecht. Maar omdat er steeds gevaren werd, kwam de post zeer onregelmatig en was de post, tevens aan censuur onderworpen, waardoor soms hele regels in zijn brief onleesbaar waren gemaakt. In november 1947 was hij weer terug in Nederland. Normaal zou het later geweest zijn, maar omdat zijn moeder op sterven lag, mocht hij met het vliegtuig naar huis, maar wel helaas te laat om afscheid van zijn moeder te kunnen nemen. Bij aankomst in Nederland, had hij geen geld om met de trein naar huis te kunnen gaan. Door de aanwezige militairen werd hij niet geholpen. Gelukkig waren enkele burgers die hem wel aan geld helpen. Als dank gaf hij ze toen een tinnetje sigaretten (50 stuks) en toen wilden die militairen hem wel helpen, maar dat was toen niet meer nodig. Ook voor hem van rijkswege geen enkele opvang. Ook hij zou gewild hebben, dat zijn opvang geweest was, zoals tegenwoordig bij de jonge veteranen.


14

N. Hardorff (4-03-1925) is van augustus 1944 tot mei 1945 ondergedoken geweest. Eerst was het in de Noordoostpolder, daarna in de Betuwe en van september 1944, tijdens de Hongerwinter, in Den Haag. In augustus 1945 is hij als oorlogsvrijwilliger in dienst gegaan. Zijn opleiding kreeg hij in Engeland en Schotland. Na de opleiding ging hij weer terug naar Nederland en werd ingedeeld bij de 7-december divisie. In september 1946 is hij met de Indrapoera naar Nederlands-Indië vertrokken waar hij aankwam in Tandjong Priok en verbleef vervolgens 4 jaar in Nederlands-Indië. In 1948 werd hij beroeps militair bij het KNIL. Het grootste gedeelte van zijn tijd ver bleef hij in West-Java en slechts enkele maanden in Midden-Java. Hij zat wel steeds aan de demarcatielijn en daar waren de leefomstandigheden zeer sober. Eind 1950 is hij met de Sibajak weer teruggegaan naar Nederland. Voor hem, als beroepsmilitair, waren er geen problemen bij de opvang, met als uitzondering de huisvesting als gehuwde. Hij vind dat de huidige opvang van de jonge veteraan nu goed verzorgd is. Ten opzichte van vroeger zijn de tijden zeer veranderd en dat vind hij prima.


15

M.P. van den Broecke (5-5-1935) is op 25 november 1954 opgekomen bij de stoottroepen. Na 2 maanden werd hij overgeplaatst naar het Corps Commandotroepen. Op 31 maart 1955 kreeg hij zijn groene baret en is toen beroepsmilitair geworden. Bij de Commando’s was hij chauffeur en tevens Rijinstructeur. In 1969 ging hij ter opleiding als onder officier naar Weert. Na deze opleiding werd hij in Amersfoort tankcommandant en schietinstructeur. Vervolgens werd hij weer overgeplaatst naar de rijschool in Bergen op Zoom en werd examinator voor alle voertuigen. In 1980 werd hij naar Den Bosch overgeplaatst. Voor zijn uitzending naar Libanon werd hij weer overgeplaatst, nu naar Assen. In januari 1981 vertrok hij naar Libanon. Zijn vaste standplaats werd toe Haris. Vanuit Haris werd het gehele gebied bezocht. De leefomstandigheden waren daar summier. Het contact met het thuisfront was alleen met brieven. In augustus 1981 kwam hij weer terug in Nederland kreeg hij weer een opleiding en kwam toen bij het Provinciaal Commando in Den Haag als instructeur van de Nationale Reserve. Vervolgens kreeg hij diverse overplaatsingen. De 1e was naar Middelburg, de 2e naar Tilburg, de 3e naar Keizersveer en de 4e was naar Bergen op Zoom. In al die plaatsen vervulde hij steeds dezelfde functie. In juni 1991 is hij afgezwaaid. Hij is het er volkomen mee eens, dat er nu voldoende aandacht is voor de jonge veteraan.


16

P.N. Welten (29-11-1926) is in juni 1944in Fijnaart ondergedoken, omdat hij naar de keuring moest voor de Arbeidsdienst. Hij moest daarvoor naar Bergen op Zoom, maar is daar niet naar toe gegaan en kon zich zodoende niet meer op straat vertonen. Hij wist gelukkig aan alle razzia’ s te ontkomen. Op 16 september 1946 werd hij opgeroepen voor de Militaire dienst. Na de keuring moest hij naar de school verbindings troepen in Den Haag. Na zijn opleiding is telegrafist is hij op 11 april 1947 vanuit Amsterdam met de Nieuw Holland naar Batavia vertrokken. Hij kreeg een vaste standplaats op het Algemeen Hoofdkwartier en daar waren de leefomstandigheden goed te noemen. Het contact met het thuisfront bestond alleen met brieven. Op 16 maart 1950 kwam hij met de Kota Inten weer terug in de haven van Rotterdam. Van opvang van Rijkswege was er nauwelijks sprake. De huidige opvang van de uitgezonden militairen vind hij zeer goed. Alleen jammer, dat het vroeger niet zo was.


17

C. Walda (12-04-1929), is op 2 maart 1948 als dienstplichtige opgekomen in Soesterberg.Na zijn opleiding is hij in september 1948 naar Semarang in Nederlands-Indië vertrokken. Vandaar is hij naar Salatiga gegaan en nog enkele andere plaatsen. Omdat hij bij de Genie zat, nam hij geen deel aan de zuiverings acties. De leefomstandigheden waren daar zeer slecht. Slechte voeding en geen enkel vertier. In november 1950 is hij met de “Nellie” weer teruggekomen in Nederland (Rotterdam). Daar kwam een man van de Douane naar hem toe. Hij moest zijn koffer open maken. Hierin zaten aan boord gekochte sigaretten in. Zijn aankomst in Nederland werd dus niet zo prettig. Hij kon gelijk een boete betalen en dat zit hem nog steeds dwars. Ook voor hem was er van Rijkswege geen enkele opvang. De opvang van de huidige uitgezonden militairen is niet te vergelijken met de opvang in 1950. Zoals het nu gaat, is het prima.


18

C. Carton (15-09-1926) zat tijdens de 2e Wereld oorlog in het verzet, samen met zijn neef, met dezelfde naam. Dat werd bekend bij de Sicherheitsdienst en daarom moest hij in juni 1943 onderduiken tot aan de bevrijding in mei 1945. Door de Nazi’s werden hij en zijn neef bij verstek ter dood veroordeeld. Zijn neef werd ontdekt en op het station Den Haag door de Nazi’s gefusilleerd. Op 16 september 1946 is hij als dienstplichtige opgekomen in Ede. Na zijn opleiding is hij op 8 mei 1947 met de Johan van Barneveld naar Nederlands-Indië vertrokken. Hij kwam daar terecht in Batoe-Jarja, dit is een plaat vlak bij Bandoeng, bij de demarcatielijn. Van daaruit heeft hij heel West –en Midden Java doorkruist. De leefomstandigheden waren vooral in het begin armzalig. We waren opgezadeld met een onwaarachtige opdracht met beperkte middelen. Wat hem wel heeft verrijkt, zijn de hartverwarmende kameraadschappen. De zorg en de aandacht voor elkaar zijn de reden van de levenslange vriendschappen en hoe ouder men wordt, hoe intenser deze vriendschappen worden. De contacten met het thuisfront waren echter wel goed te noemen. Op 5 april 1950 is hij met de Fairsea teruggekomen in Nederland en is in Rotterdam ontscheept. De opvang van Rijkswege was “Nul”. De opvang van de tegenwoordig uitgezonden militairen vind hij buitengewoon goed en hij gunt ze dat van harte. Was dat vroeger ook maar zo geweest.


19

M.A. van Loon (20-10-1927) is op 9 mei 1945 als oorlogsvrijwilligers in Nijmegen in dienst gegaan. Daarna vertrok hij met Hr. Ms. Van Gaalen naar Engeland. Hier werd hij ingedeeld bij de Koninklijke Marine. Op 29 augustus 1946 is hij met de Karel Doorman naar Nederlands-Indië vertrokken. Zijn belangrijkste taak daar was het redden van drenkelingen met de "Air Sea Rescue". De leef omstandigheden aan boord waren goed te noemen. Op 3 september kwam hij met de s.s. "Waterman" weer terug in Nederland en ging op 1 december 1948 uit militaire dienst. Op 27 november 1952 ging hij bij het regiment van Heutz en vertrok op 11 maart 1953 met het MS "General Blatchford" naar Korea. Daar waren de leefomstandigheden zeer slecht. Het onderkomen was in tenten. In de zomer temperaturen boven 40 graden en in de winter tot 30 graden onder nul. Ze moesten daar met extra kleding slapen om niet te bevriezen. Van uit Korea is hij nog een jaar in Japan geweest. Op 29 september 1954 kwam hij met het vliegtuig, via Tokio, weer terug in Nederland. Op Schiphol werd hij ontvangen door de ambassadeur en militaire Attaché van Amerika en de commandant van de Landstrijdkrachten. Hij werd onderscheiden met de Bronze Star Medal. Dit vanwege het feit, dat hij met gevaar voor eigen leven een zwaar gewond patrouille lid wist terug te brengen. Zijn verdere onderscheidingen zijn: de Koreaanse oorlogsmedaille, de United Nations Service Medal met de gesp Korea, het kruis voor Recht en Vrijheid met de gesp Korea 1950, de Koreaanse Unit Citation Emblem en de Amerikaanse Unit Citation Emblem. Na zijn terugkeer is hij in dienst gegaan bij de Koninklijke Luchtmacht en is kreeg daar op 29 november 1981 de gouden medaille voor langdurige, eerlijke en trouwe militaire dienst. Bovendien werd hem nog het Ere-insigne Koninklijke Luchtmacht toegekend. Daarna was er geen enkele opvang van Rijkswege.De huidige opvang vind hij nogal overdreven. Dat er nu een veteranendag in Breda komt vind hij terecht, omdat er nu eindelijk waardering komt. Dit vooral voor de “oude” veteranen.


20

J.A. Pijpers (26-02-1927) Omdat hij bij de boeren op het land werkte, werd hij niet uitgezonden naar Duitsland en hoefde ook niet onder te duiken. Op 18 november 1946 is hij in Blerick opgekomen als dienstplichtig militair. In februari 1946 is hij met de Johan van Oldebarneveld naar Java vertrokken. Zijn diensttijd zou één jaar duren, maar hij bleef daar 3 jaar en 2 maanden, omdat iedere zijn terugkeer werd uitgesteld. Bij aankomst in Tandjong Priok, werd hij gelegerd in de Berenlaan in Batavia. Vandaar ging hij bij de 1e politionele actie naar Tagerang. Hun onderkomen daar was in tenten. Vandaar ging hij naar Popelinge en nog een heleboel andere plaatsen, waaronder Solo en Pararadjo. In Pararadja kwam hij weer in actie bij de 2e politionele actie. Ze zijn daar een week omsingeld geweest, waardoor ze de gewonden niet konden vervoeren. Met vliegtuigen werd eten en munitie aangevoerd, dat met parachutes werd gedropt. Toch waren de leefomstandigheden daar redelijk, tijdens de bezetting van de Duitsers waren de omstandigheden soms slechter. Het contact met de bevolking was goed. In april 1950 kwam hij met de Kota Inten weer terug in Nederland. Daar werden ze met bussen naar huis gebracht. Van rijkswege was er verder geen enkele opvang. De opvang van de huidige veteranen is nu zeer goed geregeld. De verhouding is enigszins scheefgetrokken. Tegenwoordig gaat iedereen vrijwillig in dienst. Worden ze uitgezonden voor ten hoogste 6 maanden, dan worden ze ontvangen alsof ze jaren weggeweest zijn. De Indië-ganger is dikwijls voor jaren onvrijwillig uitgezonden geweest en daar is jaren lang geen of nauwelijks aandacht aan besteed.


21

R. Lokhoff (23-09-1931) Is in mei 1940 als 9-jarige met het gehele gezin op de vlucht geweest. Ze hoefden gelukkig niet zo ver weg, want in Rijsbergen kregen reeds onderdak. In februari 1952 is hij als vrijwilliger te Schoonhoven in dienst gegaan. Daar kreeg hij zijn 1e opleiding en werd daarna in mei 1952 overgeplaatst naar de Commando’s te Roosendaal. Daar kreeg hij de Commando opleiding en in december 1952 is hij met Amerikaanse troepen transportschip de “Generaal Muir”naar Korea vertrokken. Na 1 jaar verblijf is hij met het pas in dienst genomen schip, de “Cambodja” naar Marseille gegaan. Vandaar ging het met de bus weer terug naar Roosendaal. Na het vervullen van de gebruikelijke formaliteiten is hij toen met de trein terug naar Breda gegaan. In Korea zat hij op diverse plaatsen aan het front, maar de plaatsnamen weet hij niet meer. De leefomstandigheden waren daar niet zo best, want hij heeft 127 dagen in de frontlinies gezeten. Waren niet aan het front, dan kregen ze zware oefeningen. Het contact met het thuisfront bestond uit brieven en gezien de omstandigheden, was dat redelijk goed te noemen. Opvang van Rijkswege bestond toen nog niet. De huidige opvang van de uitgezonden militairen is nu buitengewoon goed te noemen. Jammer dat het vroeger niet zo gebeurde.


22

A.T. Blaauw (28-03-1932) Is in Djambi op Sumatra geboren. In 1940 kwamen zijn ouders om bij een auto ongeluk. Hij werd toen opgevangen door zijn oudste zus. Toen de Japanners kwamen, werd hij samen met zijn zus te Batavia in het vrouwenkamp “Tjiteng”geplaatst. Toen hij 10 jaar werd, moest hij naar het jongenskamp in Tjimahi. In 1945, bij het zogenaamde einde van de oorlog, werd hij in het mannenkamp in Bandoeng geplaatst en vandaar weer naar het Kramatkamp in Batavia. Zijn zwager heeft hem toen meegenomen naar Celebes. In 1947 gingen ze weer terug naar Java, om vandaar uit met de “Indrapoera”naar Nederland te gaan. Zijn zwager keerde echter weer terug naar Indië en hij heeft zich toen in 1948 aangemeld bij het leger en kwam toen bij de Mariniers. Na zijn opleiding is hij voor 1 ½ jaar naar Curaçao uitgezonden geweest. Na zijn terugkeer is hij begin 1954 naar Nieuw-Guinea vertrokken. Bij aankomst ging hij eerst naar het eiland “Woendi” (bij Biak), om aan het klimaat te wennen. Na enkele weken werd hij overgeplaatst naar Fak-Fak. De taak van de mariniers was daar patrouille lopen. Bij de infiltraties in de Etna-baai, werden ze met een watervliegtuig ( Catalina) naar het Jamoer meer gebracht, om vandaar de infiltranten op te gaan pakken. In de maanden oktober, november en half december 1955 zijn ze daar gebleven om het gehele gebied tot aan de Etnabaai van infiltranten te zuiveren en het gebied weer veilig te stellen. Toen hij in december 1954 naar Biak werd overgeplaatst werd, moest hij bij de commandant komen en kreeg tot zijn verbazing 10 dagen prestatie verlof en mocht naar Nederland om daar de feestdagen daar met zijn familie door te brengen. Hem werd ook aangeboden om in Nederland te blijven, maar hij ging terug naar zijn maten, die inmiddels overgeplaatst waren naar Sorong, om daar de Landmacht af te gaan lossen, die met de Sibajak naar Nederland terug zouden gaan. In Sorong moesten de mariniers drie Oerlikons moesten plaatsen ter verdediging van Sorong. Hij bleef in Sorong tot eind 1955 en ging toen weer terug in Nederland. In 1956 is hij na 8 dienstjaren, het leger uitgegaan. Ook voor hem geen enkele opvang en het is maar goed, dat het nu beter geregeld is.


23

A. G. Baelemans (19-12-1941) is in 1958 als 16 jarige in dienst gegaan bij de Koninklijke Marine. Hij is opgekomen in Hilversum, waar hij eerst de militaire vorming kreeg. Op de kruiser, Hr. MS de Ruyter kreeg hij zijn opleiding tot matroos. Na deze opleiding werd hij op diverse fregatten en onderzeeboot jagers geplaatst. Op 15 februari 1961 is hij met Hr. MS. Evertsen vertrokken naar Nieuw-Guinea. Na diverse kleine incidenten, raakte Hr. MS. Evertsen op 15 januari 1962 in vuurgevecht met 3 motor torpedo boten van Indonesië, waarvan een in brand werd geschoten, maar met een 2e boot wist te ontkomen. De 3e boot, de Matjan Tutul (gevlekte panter), werd echter tot zinken gebracht. Naar onze boot werden 2 torpedo’s afgevuurd, waarvan de een rechts en de andere links van onze boot voorbij gingen. Wij haalden alle drenkelingen uit het water en deze werden door ons verzorgd. Het opvissen was geen pretje, want er waren verschillende zonder armen of benen en nog diverse andere verwondingen. Van deze drenkelingen zijn er nog 5 overleden. Na dit voorval zijn er nog diverse incidenten geweest, maar niets schokkends. We hadden een zeer goede kok aan boord, dus de leefomstandigheden waren goed, wat de stemming zeer ten goede kwam. Op 1 september 1962 met het vliegtuig, via de Noordpool, weer terug gegaan naar Nederland. Daarna nog 8 maanden uitgezonden geweest naar de Nederlandse Antillen. Hierna nog enkele trips naar het Middellandse zeegebied. Op 8 september 1964 ben ik uit dienst gegaan. De opvang van de “jonge” veteranen is nu zeer goed, dit in tegenstelling met hetgeen ik lees van de opvang van de “oude”veteranen. Dat er nu een veteranendag in Breda wordt gehouden vind ik uitstekend.In 2005 ben ik tijdens mijn vakantie in Soerabaja geweest, waar ik hoorde, dat tijdens de Aktie op 15 januari 1962, 27 personen van de Matjan Tutul omgekomen zijn, waaronderCommandeur Jos Soedarso, welke in Indonesië tot oorlogsheld was uitgeroepen. Ook kreeg hij op verschillende plaatsen een standbeeld. In Jakarta werd ik zeer goed ontvangen door mevrouw Soedarso, welke het zeer op prijs stelde, dat zij door een Nederlander bezocht werd.


24

N.A. Van Oosterhout (80) is tijdens de oorlog niet ondergedoken geweest, maar als de Duitsers in zicht kwamen, moest hij zorgen dat hij weg was. Hij is in 1948 in Bergen op Zoom opgekomen als dienstplichtig militair. Na zijn opleiding in Bergen op Zoom, ging hij op 2 maart 1948 met de “Johan van Oldebarneveld”naar Nederlands Indië. Na aankomst kwam hij op vele plaatsen op Java en kan zich al die plaatsen niet meer herinneren. Zijn taak was iedere dag patrouille lopen, waarbij enkele van zijn kameraden gesneuveld zijn. De leefomstandigheden waren niet al te best en de contacten met het thuisfront minimaal. In 1951 is hij met een buitenlandse boot, waarvan hij zich de naam niet meer kan herinneren, teruggekeerd naar Nederland. Ook hij kreeg van Rijkswege geen enkele opvang. In zijn woonplaats stond wel de plaatselijke harmonie, om hem welkom te heten. Dat er nu een veteranendag in Breda komt, vind hij buitengewoon goed.


25

J.L.L.M. Bergé (26-01-1922) was bij het uitbreken van Wereld Oorlog II, dus 18 jaar oud.Als inwoner van Breda moest ook hij vluchten. De omgeving waar hij toen woonde, moest via Hoogstraten. Zijn ouders konden daar bij familie blijven, maar hij moest verder. Via Antwerpen kwamen ze terecht tussen Oostende en Duinkerken. Hij maakte de terugtrekking van de Engelsen daar mee. Na een maand keerden ze terug naar Breda. Omdat hij toen student was, kreeg hij een Ausweisz en werd dus niet naar Duitsland gedeporteerd. Na zijn studie werd hij compagnon van zijn vader en na de handlichting bij de rechtbank, mocht hij in het bedrijf werken en ook nu kreeg hij weer een Ausweisz. Na de bevrijding in 1944 heeft hij zich in de Ceresstraat aangemeld als oorlogsvrijwilliger. Hij kwam bij de mariniers en zijn 1e opleiding kreeg hij in Schotland. Na deze opleiding werden ze naar North Carolina (USA) verscheept. Na een verkorte opleiding ging hij met de “Noordam”van de Holland-Amerika lijn via de Middellandse zee en het Suez kanaal naar Nederlands-Indië, waar hij ruim 3 ½ jaar moest blijven. Hij verbleef over het algemeen hoofdzakelijk op diverse plaatsen in Oost-Java, maar ging soms ook wel eens naar Bali. Omdat ze als mariniers brigade een Amerikaanse bevoorrading kregen, waren de leefomstandigheden goed, veel beter als de omstandigheden van de landmacht. Na de 2e politionele actie is hij eind 1948 met de “Grote Beer”, weer terug gegaan naar Nederland en bij aankomst kwam Koningin Juliana aan boord om de gewonden te bezoeken. Zelf kregen ze een zakje met wat fruit en werden ze met bussen naar huis gebracht en dat was het dan.

Ze kregen wel verlof en gedurende dat verlof moesten ze zich weer melden, om een keuring te ondergaan. Daarna ging hij met groot verlof en met fl. 400,-- kledinggeld was het einde verhaal en was hij weer gewoon burger en afgedaan bij het leger. De aandacht welke de “jonge”veteranen tegenwoordig krijgen vind hij bespottelijk. Als ze even weggeweest zijn, worden ze onthaald alsof ze jaren weggeweest zijn. Terwijl degenen, die jaren van huis weggeweest zijn, totaal vergeten zijn, terwijl iedereen de vrijheid die ze nu genieten, te danken hebben aan de “oude” veteraan. Dat er nu een veteranendag in Breda komt, vind hij aardig en sympathiek, maar het had ook al eerder plaats kunnen vinden.


26

J. Hendrikx (21-6-1929) woonde tijden Wereld Oorlog II in Malang (Oost-Java). Tot zijn dertien jaar kon hij aan de Japanners ontkomen, maar werd toen opgepakt. Hij moest als dwangarbeider meerwerken aan het aanleggen van wegen. Dit duurde gelukkig maar 6 maanden en toen mocht hij weer bij zijn moeder gaan wonen, welke niet de Nederlandse nationaliteit had. Na de zogenaamde bevrijding van Nederlands Indië op 15 augustus 1945, werden alle vrouwen, die met een Nederlander getrouwd waren, in kampen ondergebracht.Ze moesten nu door de Japanners beschermd worden tegen het oproer tegen de Nederlanders en de Indische Nederlanders. Toen de Nederlandse troepen kwamen, kwam voor hun de echte bevrijding, In 1948 is hij vrijwillig in dienst gegaan van het KoninklijkIndische Leger. Hij werd geplaatst bij 4-5 Regiment Infanterie en was dus ook betrokken bij de 2e politionele actie. Begin 1949 werd hij overgeplaatst van Batavia naar Tjimahi, waar hij een opleiding kreeg voor de militaire politie. Na deze opleiding bleef hij in Tjimahi als bewaker van de strafgevangenis, waar hij tot zijn demobilisatie in 1950 is gebleven. In 1956 werd hij net zoals vele andere Nederlanders het land uitgezet. De ontvangst in Nederland was er echter niet zo best. Hij moest net als zoveel anderen die het land waren uitgezet, met z’n zessen in een klein kamertje eten, drinken en slapen. De 3 maanden kon hij bij een in Breda wonende tante komen. Ook vele familieleden van hem woonden in de naaste omgeving van Breda. Hij kreeg er ook vlug werk en is zodoende in Breda gebleven. Hij vindt het prima dat er nu ook een veteranendag in Breda komt. Hij hoopt er tevens nog oude kameraden te kunnen ontmoeten.


27

Jan Maas (1-5-1934) moest ook op 12 mei 1940 op de vlucht uit Breda. Hij kwam terecht in Achtmaal, waar ze met ongeveer 30 personen in een schuur moesten verblijven. Na ongeveer 14 dagen konden ze weer terug naar Breda, waar de toestand nog net zo was als toen ze vertrokken. In mei 1954 is hij als dienstplichtige bij de mariniers opgekomen in Doorn. Na zijn opleiding na zijn opleiding is hij in november 1954 naar Nieuw-Guinea vertrokken en kwam dar op 19-11-1954 aan. Na een verblijf van 2 maanden op Biak, werd hij voor 1 ½ maand overgeplaatst naar het eiland Woendi. Hier verbleven ze in een tentenkamp. Het eten op het eiland was niet al te best. De nasi goreng kwam uit blik en het brood zat vol met torren. Ze probeerden die torren er wel uit het brood te halen, maar dat lukte niet altijd even goed en als je dan iets hards tussen je tanden kreeg, was het een tor.

Na deze kennismaking op Woendi, werd hij overgeplaatst naar Sorong, ter aflossing van de Landmacht, welke met de Sibajak naar Nederland vertrok. In Sorong moesten ze patrouille lopen. De leefomstandigheden waren daar beter dan op Woendi. Van Sorong werd hij weer overgeplaatst naar Kaimana aan de Zuidkust van Nieuw-Guinea. Hun taak was daar een munitie depot en de Oerlikons op het strand bewaken. Maar de leefomstandigheden waren daar beter dan wat ze tot die tijd gewend waren. Na even voor zijn terugkeer naar Nederland ging hij weer naar Biak. Daar kregen ze een landing oefening en daarna was het wachten tot ze met het vliegtuig terugkeerden naar Nederland. Bij aankomst in Nederland waren er bussen, die ze naar huis bracht. Ze kregen 4 weken verlof en moesten toen naar Doorn om formulieren in te vullen, waarin ze verklaarden gezond te zijn en daarna konden ze terug de burgermaatschappij in, zonder enige begeleiding van Rijkswege. In 1994 heeft hij het herinneringskruis aangevraagd, omdat hij van zijn oude dienstmakkers gehoord hadden, dat zij dat gekregen hadden. Op 26 mei 2008, ja, dat leest U goed, kreeg hij een brief van het Ministerie van Defensie, waar hij zijn gegevens over zijn militaire loopbaan in moest vullen. Hij kreeg die brief vanwege het “Veteranenregistratiesysteem”. In 1994 het herinneringskruis, maar in 2008 wisten ze bij Defensie nog niet, het hoe en wat. De huidige militair is als vrijwilliger in dienst gegaan en wist van tevoren, dat hij uitgezonden kon worden. De militairen van vroeger waren dienstplichtig. Ze kwamen in dienst en hoorden dan pas te horen, dat ze uitgezonden werden. Maar niet voor 6 of 7 maanden, maar voor een termijn van 1 ½ jaar. In die tijd was er geen telefoon, geen pc en mocht je blij zijn als er 1 of 2 keer per week een brief kwam. Maar wat Defensie wel had, was een grammofoon- plaatje met Kerstmis, waar je familie je de groeten bracht. Dat er nu een veteranendag in Breda gehouden wordt, vind hij buitengewoon. Als de huidige militair Veteraan wordt, dan krijgt hij tenminste de waardering die hem toekomt.


 28       Frank Doeland uit Australië                                                                       Verslag deel 1                                                                                                                                                 
                                                                                                     
Hier onder een klein stukje van het verhaal wat ik graag wil schrijven, laat mij a.u.b. weten of het aan de gestelde eisen voldoet. Misschien zal je het hier en daar moeten corrigeren want mijn Nederlands is na bijna 60 jaar in Australië niet zo best meer als je kan begrijpen.
Mijn verhaal begint in November 1945

Kort na de bevrijding van Breda, Een werving kantoor werd geopend in de Catharina straat in Breda voor oorlog vrijwilligers.(OVW)
Mijn school vriend (Sjefke Verhelpen) en ik gaven ons op als OVW-ers, niet wetende`waar het over ging. Sjef ging naar het Korps Mariniers en ik naar de Kon. marine.
Sjef ging naar Camp "Lejeune" in the USA en ik naar de "Oranje Nassau" Engeland. Van Sjef Verhelpen weet ik niets meer af want dat  was het einde van ons verband.
Ik vertrok beging Januari vanaf Breda via Oostende naar Londen over slibberende met ijs beladen wegen en kwamen terecht in een Kazerne (ik weet de naam niet meer).
De ontvangst was goed, witte brood roomboter en baked beans (Gebakken witte bonen)en worstjes. Het was een feest na wat we mee gemaakt hadden onder de Duitse bezetters.
De belegering (bedden) liet veel te wensen over want die werden gebruikt door duizenden voor ons en waren beladen met luizen. Binnen een paar minuten, het was krabben waar mogelijk en van slapen kwam niets. De nacht was onder de sterren in het koude Oostende. Uren voor Zon's opgang werden we naar het S.S "Blerick" gedelegeerd om de overtocht naar Engeland te aanvaarden. Na een uur op zee wed het schip voor ons (een Hospitaal schip) getroffen door een Duitse torpedo en ging het graf in met een paar duizend gewonde Poolse militairen.
Van wegen het gevaar ging de vaart gewoon door en de drenkelingen werden door de "Britse Marine" op gepikt.
Na de aankomst in Tilbury , werden we gelijk naar het marine depot schip in Londen vervoerd en werden daar ontluisd, een medische test en daarna voorzien van een matrozen pakkie, wat helemaal niet paste het was te groot of te klein, speciaal de schoenen die niet op maat waren.
Na twee dagen zwoegen was het op de trein naar "Chatham" voor meer "beroeps testen", hier werd uit gemaakt waar je het best voor geschikt was.
Gezien mijn lagere school opleiding in Breda werd mij aanbevolen om "Matroos" te worden. Daar er geen andere uitweg was werd dit door mijn aangenomen.
Vervolgens werd ik over geplaatst naar H.M.S."Ganges" in Shortley (na bij Harwich)

                        Frank eerste vooraan links

Mijn instructeur (matroos 3de klas) wist net zoveel als ik, dus was dit een makkie.
Het was zo gemakkelijk, dat ik een aanvraag deed voor matroos 2de klasse terwijl in opleiding.
Ik slaagde hierin en werd matroos 2de klas terwijl in opleiding voor derde klas.
Om hoger op te komen in de Marine moet je wat meer doen dus vervolgens was het een brevet halen, en werd over geplaatst naar H.M.S "Ambrose "in Scotland, een onderzee dienst basis, en werd daar te werk gesteld op Hr.Ms. "Dolfijn en Zwaardvis".En tevens op H.M.S "Ambrose" om het vak van demonteren of torpedo's en mijnen te leren.
Het vak was nooit volleerd want na drie maanden in Dundee werd ik weer over geplaatst naar H.M.S "Glendower" in Wales voor een "Commando" opleiding.
Na de voltooiing van de cursus werd ik uitgezonden naar Colombo en kwam terecht op het hoofd kwartier van Admiraal Helfrich.(South East Pacific Command )
Terwijl een week op het Hoofd Kwartier om het gesneuvelde marine personeel te documenteren werd ik naar een plaats in de bergen (Kesweba) gezonden om de gevangen genomen Japanners te ondervragen. Zij Spraken geen Nederlands en ik geen Japans dus kwam ik niet veel verder dan het woord "Vorkoe" voor een vork en "Knifoe" voor een mes.
Terug aan board van het marine depot schip "Plancius" werd het schip gereed gemaakt voor een invasie op Java.
Na twee dagen op weg naar Java werd de Atoom bom op Japan neer gelaten en twee dagen later was WW2 ten einden. Maar voor de OVW-er begon de oorlog nu pas.
De eerste rede was Batavia, waar twee Engels\e Kruisers voor de haven mond lagen en die alle scheepvaart belemmerde. (The H.M.S"Norfolk" en "Cumberland")
Na vele onderhandelingen met de Britse Admiraliteit, werd Admiraal Helfrich toe gang to Batavia verschaft.
Aan de haven "Tandjoeng Priok no. 1" stonden duizenden Japanners, wapens en al aangetreden, en niet van hen nam de trossen van de "Plancius" in hand voor het meren.
We kwamen zonder mankementen aan de Kade en ik ben nog steeds de eerste Nederlander die in Indië (Tandjoeng Priok" aan wal stapte na de capitulatie. (ps. de "Plancius was een KPM schip gevorderd bij de Nederlandse regering.)
Terwijl in Batavia op het hoofd kwartier, werd ik aangesteld als de "Body guardt" van Admiraal Helfrich en het hoofd kwartier werd verplaatst van de "Plancius" naar Hotel des Indes.
Met alle veranderingen kwamen geen verbeteringen en we gingen met de dag achteruit.
Vele jongens sneuvelde door gebrek aan opleiding en het tropisch klimaat.  Ned. Indië was een levende hel.
Spoedig vroeg ik overplaatsing naar een varend schip en in Januari 1946 werd ik geplaatst met vijf andere OVW-ers op Hr. Ms."Ambon", een van de acht opgekochte vloot mijnvegers van d Australische marine (H.M.S. "Cairns" Omgebouwd to een Patrouille vaartuig)


Het leven aan boord was niet gemakkelijk met een bemanning van 75 koppen op een 75 meter lang schip.(een persoon pet meter) De bemanning, bestaande uit de beroeps militairen wilde niets van de OVW-ers weten en maakte het leven aanboord de "Ambon" zeer onaangenaam. en wij werden beschouwd as VUILNIS.
Dit kwam omdat de OVW-er een verhoging in rang hadden en dit werd niet door de" Beroeps Marine Klanten" werd geaccepteerd.

Dit is het begin.
Groetjes uit het warme Australië,
Frank

Reageren:Frank Doeland jutters1d@iprimus.com.au

 Frank Doeland uit Australië                                                                                           Verslag deel 2
 
 

Hier is dan deel twee over mijn tijd als OVW-er bij de Koninklijke Marine.

Hier kom ik even terug naar de tijd voor mijn overplaatsing op een varend schip.

De eerste dagen op de KPM kade van Tandjoeng Priok was gewoon een hel daar we maar een kleine groep Marine personeel hadden die de bewaking van de haven in handen had en tevens de taak van overzicht op de haven arbeiders (koelies) die de dagelijks binnen komende proviand schepen losten. Zowat iedere nacht werden we aangevallen door de "Ploppers" die beter bewapend waren dan wij. Ook moesten we geregeld naar Batavia en de weg langs Kali Masoek was leven gevaarlijk met "Booby Traps"
Staaldraad was over de weg gespannen en als je per ongeluk in een Jeep zat dan had je een goede kans dat je onthoofd werd. Zo het was uitkijken geblazen.
De Booby traps voor trucks waren meestal anderhalve meter boven de weg met een handgranaat aan ieder end aan bomen bevestigt. De meeste tijd werd de staaldraad opgevangen bij de voor ruit (windscreen) van de truck die dan de hand granaten van de bomen los rukte en mee sleepte naast de truck tot dat ze ontplofte.
Ik Kali Masoek dreven dagelijks lijken van blanken die door de Ploppers vermoord waren. Kali Masoek eindigde in de haven van Tandjoeng Priok en veel lijken kwamen achter de "Plancius" terecht wat een vreselijke stank veroorzaakte. We waren in het bezit van een oude Japanse boot die een voorklep had, hiermede was het mogelijk om de menselijke restanten op te scheppen en ze een paar km. buiten de haven aan de haaien over te laten bij gebrek aan een begraafplaats. Het was vreselijk werk, iets wat je voor de rest van je leven behoud.
Admiraal Helfrich had zijn hoofd kwartier in Hotel de Indes opgeslagen en als body guardt zat je soms uren lang voor de deur van de kamer of zaal waar de Admiraal verbleef.
Soms kreeg je van een "Djongos" een glas ijswater maar ook dit werd meestal niet gedronken in geval van vergiftiging
Na een paar weken kregen we versterking van 700 Gurkas, maar dat hielp niet veel want die stonden met honderden voor de bordelen die kort bij de haven ingang waren gevestigd. Het plein voor de haven poort was s'avonds onverlicht en de wacht had alleen maar een Brengun en een machinegun Aanvallen bij de "Ploppers" in grote getallen was de orde van de avond in het pike donker.

De uit Nederland gezonden versterkingen waren door de Britten naar de Rimboe in Malaya gezonden en die kwamen pas maanden later in Batavia aan.
Ondertussen was ook Soerabaja in handen van Nederland, maar ook in deze stad was het levens gevaarlijk en het Korps Mariniers die vers uit Amerika was aangekomen had de handen vol om orde en vrede te scheppen (als je dit zo kan noemen) Ook was de vlieghaven van de K.M. weer in Nederlandse handen en was het mogelijk om "Catalinas" die gebruikt werden voor transport van Marine personeel tussen Batavia en Soerabaja.
Het Korps Mariniers wist de "Merdeka" vechters (vrijheid) verder van de stad Soerabaja onder moeilijke omstandigheden te verwijderen. Ook kwam er opeens verandering met de overdracht van het gezag


 Aangetreden staat de bemanning van Hr. Ms. "Ambon" De Officieren v.l.n.r, Admiraal Helfrich , ???, Generaal Spoor, Ltz2 Lee, tussen Spoor en Lee sta ik.
Niet lang daarna was de eerste grote actie, de overname van Madoera, Bali, Lombok en Floris. Dit was maanden nadat we in Oktober 1945 voet aan wal zetten in Batavia. Ik was ingedeeld bij de landing party die een bruggenhoofd maakte voor dat de landingsvaartuigen aan land kwamen. Alles verliep vlot en er werd geen schot gelost. De Japanners werden krijgsgevangenen en werden aan het werk gesteld met het ontladen van de landingsvaartuigen. De landing op Balie verliep wat anders want daar werden we beschoten van af Java, maar daar werd gauw een einde aan gemaakt met bombardementen en scheepsgeschut. De rest van de landingen ging gesmeerd zonder enige verliezen.

De landing in Bajowangie, deze plaatsen waren nog steeds bezet bij het Japanse leger.
Om even terug te komen voor de landingen, overal waren zee mijnen en die moesten eerst opgeruimd worden. Dit was de taak van de mijnenveeg dienst, De taak van de "Ambon" was om drijvende mijnen onschadelijk te maken en er waren er genoeg. Sommige mijnen werden onschadelijk gemaakt op een afstand van 150 meter en de winddruk na de ontploffing maakte het schip hellende. Je oren werden zowat van je hoofd geblazen en dit is een van de reden waardoor mijn gehoor zeer slecht is geworden over de jaren volgens de Australische Audiologist van Veteran Affairs, die mij een gehoor apparaat gegeven hebben om dat ik in WW-2 onder geallieerd comand heb gediend.
Ik heb de Nederlandse Regering gevraagd voor hulp en na wat formulieren invullen, kreeg ik bericht om naar Sydney te komen ( 1200 Km. van hier) op eigen kosten om voor een Group Nederlandse geneesdeskundigen te komen voor onderzoek. De kosten alleen schrikken je af, want het is vliegen en Hotel accommodatie, hetgeen je zelf moet betalen.
Volgens mij is het goedkoper om er zelf een aan te schaffen in plaats van naar Sydney te reizen wat flinke onkosten mee brengt en het is niet eens zeker of de uitslag van het onderzoek het zelfde is als die van Australia Hearing Services, want uit Nederland verwacht ik geen hulp daar ik moet kunnen bewijzen dat het gedurende de diensttijd opgelopen is en probeer dat maar eens te bewijzen.



 
Frank Doeland uit Australië                                                                                           Verslag deel 3
 
 

We zijn nu beland op mijn laatste jaar in het v.m. Ned. Indië. Terwijl Hr.Ms. ”Ambon” in groot onderhoud was bij de marine basis op de Kruizerkade in Soerabaja, werd met baks gewijs om vrijwilligers gevraagd voor speciale dienst. Normaal was dit aardappelen schillen of iets dergelijks. Op een marine werf in onderhoud is er altijd veel werk te doen, meestal de scheepshuid bikken en op nieuw te verven wat een rot karwij was in de tropen. Aardappelen schillen was daar niets bij vergeleken, dus bood ik mij aan als vrijwilliger voor de speciale dienst. Een uur later was ik in Kaki uniform, bewapend en werd met een truck met nog een ander half dozijn personeel naar het vliegveld gebracht en twee uur later stonden we aangetreden in Batavia tegen over het vliegveld. Al spoedig werden wij ingedeeld bij the stoottroepen van het KNIL wat voornamelijk bestond uit Ambonezen. De opdracht was om haven van Tjilatjap te bezetten. De gehele colonne van trucks en bewapende voertuigen (tanks en dergelijke) was meer dan twee Km lang Na een paar uur vertraging kwam er leven in de brouwerij en waren we op weg via Buitenzorg  naar Bandoeng waar we zouden ovenachten. Onderweg was er tamelijk veel vertraging daar de extremisten van alle mogelijke hindernissen in de weg hadden gelegd. Het was soms stoppen voor meer dan een half uur en soms ook langer. In de wachttijd probeerde je een vuurtje te stoken om warm water voor een kopje koffie te maken, maar tegen de tijd dat het water kookte was het weer verder gaan, meestal een paar honderd meter en dan maar wachten tot de hindernissen opgeruimd waren. We kwamen laat op de avond in Bandoeng aan en voor het marine personeel wat vanaf Soerabaja gekomen was werd dit een hele lange dag. Slaap gelegenheid was er niet aanwezig dus namen we ieder lokaal wat leeg stond in beslag en sliepen op de grond. Ook hier kwam van slapen niets terecht maar daar was nu eenmaal niets aan te doen. Ons voedsel was uit blikkies (overblijfsel van de Amerikanen) en wat droge koekjes wat meer op tegeltjes leek. Het KNIL personeel kreeg Nasi Putih voor ontbijt (Witte rijst), en avond eten. De andere troepen van de landmacht hadden keuken wagens of hoe ze dat ook weer noemde in die tijd en hadden tenminste een warme hap nu en dan.

Met dageraad was het weer op weg deze keer naar Tegal. Met dit kwam gelijk veel meer ongenoegen en vertragingen daar de extremisten hier de overhand hadden en vrij goed bewapend met ex Japanse wapens die ze buit gemaakt hadden. Er werd behoorlijk geschoten van beide zijde maar van doden of gewonden aan de Nederlandse zijde vernamen we niets, waarschijnlijk daar we in de achterhoede van de colonne waren. Vele bruggen over de Kalies waren opgeblazen en er moesten nood bruggen gebouwd worden die sterk genoeg waren om het gewicht van de tanks te kunnen volstaan. In de meeste gevallen  werd de Kalie gevuld met boomstammen die geveld waren in de bossen in de omgeving, wat vlugger was dan een nood brug te bouwen. Na veel onderbrekingen kwamen we laat in de middag in Tegal aan, (de gemiddelde snelheid van colonne was 11 Km. per uur) ook hier was het even erger dan in Bandoeng want Tegal was een verlaten plaats en er waren maar een paar inwoners die niet gevlucht waren . Ook troffen we er Duitser aan die in Tandjung Priok van een Duitse onderzeer gevlucht was, maar die werd door de KNIL troepen met een pedang een kopje kleiner gemaakt en viel als een gevelde boom op straat.

De volgende dag kregen we de taak om met de KNIL stoot troepen de stad te zuiveren en werden naar een Kampong (ik ben de naam vergeten) even buiten de stad gezonden om naar verborgen wapens te zoeken. We vonden verscheidene wapens die in drinkwater putten geworpen waren en tenslotte gingen een paar stootroepers in een hut en vonden daar een geladen Luger revolver onder een bed. De persoon (man) in de hut was een terrorist, werd de hut uit geduwd en kreeg gelijk een lading Stengun kogels toegediend en ging als een zeef naar de eeuwige jachtvelden zonder fanfare. De haat tussen de Ambonezen en de Javanen was tot een uiterste en een mensenleven betekende helemaal niets. Dit zijn episodes waar je liever niet aan terug denk. De volgende morgen was het weer uittocht, nu op weg naar Centraal Java (Yogyakarta), afslaande de richting Borobudur kwamen we lang de voet van deze machtige berg met zijn bekende eeuwen oude tempel wat een pracht gezicht was. De rit naar Centraal  Java (40 km van dit punt en het nam 4 dagen om dit af te leggen) was ontzettend langzaam en het was stapvoets rijden, nog langzamer en je passeer je zelf achteruitgaande. De olie leidingen die langs de weg aangelegd waren stonden in de fik en het was een vuurzee kilometers lang. Het duurde dagen voor dat de laatste paar Km afgelegd waren en een paar uur voor dat we op de plaats van bestemming aankwamen werd de Wapen stilstand aangekondigd. Het marine personeel werd per truck naar Tjillatjap gezonden om de haven te bezetten. Deze plaats had een groot spoorweg complex honderden wagons die gevuld waren met suiker waren door de Ploppers in brand gestoken en de gesmolten suiker wat karamel  geworden was leek meer op een ijsbaan. In de haven lagen een paar door de ploppers gezonken kustvaarders en zo wat alles was vernield, zelfs de elektriciteit leidingen waren totaal vernield. Ook hier was geen onderdak voor ons zoals het in de vorige 11 dagen was. Er was een lege Goedang waar we ons konden bivakkeren en sliepen zonder klamboe op de houten vloer in een met malaria muskieten beladen gebied. (Ik heb hier dan ook malaria op gelopen twee verschillende types Malaria Tropica en Malaria Tertsiana) een vreet de witte bloed cellen en de andere de rode cellen. Het heeft twee jaar geduurd voordat ik hier van hersteld was, dank zij de K.M. in Noord Einde Leiden.

Na twee dagen opruiming op het haven gebied was de haven gereed om het eerste vaartuig te ontvangen en dat was een kustvaarder die met voedsel en (drank voor de twee officieren) ook kregen we nu Klamboes uit gedeeld, drinkwater, zeep en sigaretten.
Daar we omringd waren bij extremisten was het een van de gevaarlijkste plaatsen om te verblijven en wacht houden na zon’s ondergang was met twee man rug aan rug met een 360 graden uitzicht, maat het was zo donken dat je niet eens je hand kon zien. Aan de overzijde van de haven legt het eiland Noosa Kabangan  Op de vijfde dag kregen we de opdracht om dit eiland te zuiveren. Meet een sloep werden met 10 man naar dit eiland gebracht en de eerste mensen die we daar tegen kwamen zaten in de straf gevangenis, de meeste misdadigers hadden levens lang. De bewakers hadden de kuierlatten genomen en waren niet te bekennen. Er was maar een ding te doen, de gevangenen vrij laten maar op het eiland achter te laten. Op de zuidelijke tip van het eiland hadden de Japanners, geholpen door de gevangenen, boven op de berg een stuk scheeps-geschut (buit gemaakt van een van de gezonken Marine schepen in Soerabaja) gebracht  Op de berg waren lange diepe tunnels gegraven die vol met munitie waren gevuld en kon op deze manier de gehele haven beschermen van aanvallen. Deze berg is door een marine vaartuig beschoten en een voltreffer heeft dit geval onschadelijk gemaakt. De Japanse geschut bemanning heeft dit niet overleefd want terwijl we op verkenning waren troffen we meer dan 50 lijken aan die daar al weken gelegen hadden. De stank was verschrikkelijk zo we zijn daar niet langer dan nodig gebleven. Tegen de avond met een stilstaand tijd was het weer terug naar het vaste land en hebben  de juichende gevangenen achter gelaten.  Na een dag of twee kwam er op eens afgezand van Shell aan gewaaid om te zien wat er over gebleven was van hun olie leidingen. Daar de marine bezetting van Tjilatjap zeer gering was, was het onmogelijk om op onderzoek uit te gaan. De Shell man heft op een of andere manier het voor elkaar zien te krijgen dat we met de sloep de rivier op gingen in het onbezette gebied. Gelukkig hebben we geen hindernissen ondervonden, maar na 14 km varen was de benzine op en een inkomende tijd waar nier tegen te roeien was, De aanwezige Ltz.3 nam het besluit om met drie man aan land te gaan en terug te lopen naar Tjilatjap. Het was aarde donken zo we volgde de waterkant. En kwamen naar een paar uur op de plaats van bestemming aan. Maar om voor bij de wacht post te komen werd om een paswoord gevraagd en dat hadden we niet. Het heeft een hele poos geduurd voor we toegelaten werden. Al vlug werden we weer terug gezonden naar de achtergebleven sloep om die te voorzien van benzine , water en wat te eten. In mijn boek was dit een van de gevaarlijkste opdrachten die ik in die jaren mee gemaakt heb maar ben dankbaar dat ik er heelhuids afgekomen ben.

Tot November 1947 ben ik in Tjilatjap gebleven, en heb het in die maanden moeten doen met het Kaki uniform want al mijn plunje was aan boord van de “Ambon” Eind November leed ik aan Malaria en werd terug naar Soerabaja gezonden en moest daar wachten tot de “Ambon”  van Patrouille terug kwam. Ik heb toen mijn plunje en koffer opgehaald en werd die zelfde dag naar Batavia gezonden en over geplaatst op Hr. Ms.”Evertsen” die terug naar Nederland ging.

Ik was zo ziek al een hond met die malaria aanval, Aan boord van de “Evertsen was alleen maar een zieken verpleger en die heeft mij aan de praat gehouden met melk (uit blik) en ijsblokjes want er waren geen medicijnen aan boord voor Malaria. Na drie weken was ik weer een beetje op de been en kon weer wacht kloppen. 

Op 5 Januari 1948 kwam de “Evertsen in Den Helder aan en iedereen ging met verlof naar huis. Daar ik 3 weken ziek was geweest moest ik die schade in halen en bleef aan boord om wacht te kloppen.

Toen de 3 weken om waren mocht ik ook met verlof gaan. Nergens was er enig ontvangst zo iets gebeurd in andere landen niet. Na drie maanden verlof moest ik terug naar Voorschoten en kwam voor een stelletje Officieren te staan die vroegen of ik bij wou tekenen (voor 6 jaar) of uit de marine wilde stappen en moest op staande voet een beslissing nemen. 

Ik heb jammer genoeg het laatste gedaan en zal daar de rest van mijn leven spijt van hebben. Wel heb ik het een en ander geleerd in Indië, dat die mensen hun vrijheid wilde hebben was heel logies want ze zijn jaren lang uitgezogen bij de kolonialen en de Regering. Nederland had na de oorlog de vrijheid belofte van Koningin Wilhelmina moeten uitvoeren en dit had duizenden levens kunnen besparen aan beide zijde.

Om even terug te komen op mijn terug keer in Nederland, alle goede banen waren foetsie en voor een OVWer was er geen werk te vinden, ik was een vreemdeling geworden in de stad waar ik geboren was. Ik heb werk kunnen vinden in Leiden, maar daar je uit het Zuiden komt dan ben je een BOER en niet gezien. 

Ik heb toen het besluit genome om naar Australië te emigreren en woon hier nu sinds 1950. Als ik lees hoe goed dat de Nederlandse veteranen verzorgd worden, dan denk wel eens, hoe komt het dat wij die genoodzaakt waren om in het buitenland te gaan wonen, in het geheel geen ondersteuning krijgen. Er is schijnbaar genoeg geld om ieder jaar een delegatie van Officieren van de Defensie met hun aanhang hier heen te sturen als je wat e vragen heb, is er geen antwoord als je wat e vertellen heb dan is het een oor in en het andere oor er uit.. 

Zo lieve mensen dat is mijn bijdrage en relaas.

Hartelijk bedankt om de tijd te nemen om dit te lezen.
 
Groeten van een Sobat in Australië
Frank Doeland

Stichting Veteranen Breda

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

<>Vakantie vanaf Brussel Airport