Ook ik doe mijn verhaal

Blekede aan de Elbe, Lüneburg



Laat ook ik over mijzelf vertellen, als dochter van een ‘foute’ vader.
Mijn vader was voor de oorlog lid van de ‘Bellamy’, een vereniging, die het gebruik van geld afwijst en daarvoor in de plaats een vorm van wederzijdse dienstverlening nastreeft. Heel simpel gesteld is dat: ‘Ik bak voor jou een brood, jij maait voor mij m’n gras.’ De vereniging zou later door de Duitsers verboden worden.
Een broer van mijn moeder was voor de oorlog lid van de NSB. Mijn vader moet, door gesprekken met hem hierover, zijn beïnvloed met als gevolg, dat hij zich in de oorlogstijd eveneens bij de NSB aansloot. Dat heeft voor mijn moeder en voor ons kinderen de nodige problemen meegebracht, zoals tijdens en na de oorlog intimiderende blikken op straat, roddels, spanningen op school en een heel moeilijke tijd in Duitsland.




Mijn oudste broer, 16 jaar toen, vond alles op die leeftijd avontuurlijk en meldde zich aan bij
het Duitse leger. Met alleen de handtekening van zijn vader werd hij toegelaten. Hij is daar
motor-ordonnans geweest en is op twintigjarige leeftijd door een ‘Tiefflieger’ van de weg
geschoten en gesneuveld. Ik heb die gebeurtenis op dat moment meebeleefd. Ik liep ‘s avonds
van de fabriek, waar ik tewerk was gesteld naar een school waar wij sliepen en onderweg hoor
ik ineens de stem van mijn broer, die mij van zijn dood op de hoogte stelde. Hij zei mij, dat
ik geen verdriet moest hebben; het was goed zo. Na twee dagen kwam de schriftelijke
aankondiging van zijn legereenheid, dat hij was gesneuveld. Ik denk heel veel aan hem en kus
zijn foto nog steeds.

Op Dolle Dinsdag in september 1944 zette mijn vader mijn moeder met de twee jongste
kinderen op de trein naar Duitsland. Mijn oudste zus en ik gingen pas een dag later weg,
omdat wij nog terug moesten komen van ons werk in de Arbeidsdienst. Wij werden naar het
kamp Westerbork gebracht en na enkele dagen in een overvolle trein naar Duitsland vervoerd.
Ik heb de hele reis gestaan. Onderweg werden we beschoten. Allemaal de trein uit, greppel in,
gehuil van kinderen; het is mij lang bijgebleven. Toen ik na de oorlog per trein mijn familie
in Rotterdam bezocht en er huilde een kind, dan raakte ik altijd over mijn toeren.


Wij werden in Duitsland heel snel gescheiden, mijn zus en ik. Zij, achttien jaar, moest gelijk
het leger in. Ik heb in verschillende werkkampen gezeten en werd uiteindelijk tewerkgesteld
op een fabriek vlakbij de Poolse grens, waar ik met behulp van een microscoop veertjes aan
kompasjes moest lassen. Het was dáár, dat ik in januari 1945 de officiële brief over de dood
van mijn broer kreeg, waardoor ik enige dagen met verlof mocht om mijn familie te bezoeken.
Ik ben er achter gekomen, waar zij waren ingekwartierd en na vier dagen reizen in
verschillende treinen soms zonder ramen - zonder eten en drinken met gelukkig fonteintjes op
de stations - kwam ik eindelijk in Blekede aan de Elbe aan. Ik vond daar mijn moeder en mijn
jongste zusje, ondergebracht in een school. Je kan je mijn blijdschap voorstellen.
Mijn broertje van dertien bleek - ik kon het niet geloven - ingelijfd bij de ‘Jugend SS’ en zat
ver weg in Oostenrijk.

Ik wilde niet meer terug naar het oosten van Duitsland, ondanks herhaalde oproepen met
dreigement van opsluiting in een concentratiekamp. Maar ik had geluk; de Russen vielen toen
Duitsland-zelf binnen en ik kón niet meer terug.

De resterende oorlogstijd heb ik op een Duits kantoor gezeten. De naam van het bedrijf weet
ik nog; ‘Nautische Werkstätte’ . Daar ontving ik salaris en daar droeg ik premie af voor het
Ziekenfonds, wat enige maanden later goed van pas kwam.

In februari ‘45 gingen mijn moeder en zusje terug naar Holland. Ik kon niet mee, want door
de Duitse grenscontrole zouden ze me zeker aanhouden op grond van werkweigering in dat
kamp aan de Poolse grens. En dan zou ik alsnog in een concentratiekamp terecht komen.
De school, waarin mijn moeder en zusje en daarna ook ik, onderdak hadden gehad, werd
gesloten, waarna ik een kamer kon bemachtigen bij ene mevrouw Jahnke. Haar echtgenoot
was generaal en lag gewond in een kazerne in Lüneburg. Enige maanden later waren de
oprukkende bevrijdingslegers zo nabij gekomen, dat mevrouw Jahnke het beter vond om naar
Lüneburg te gaan. En dat ging met een grote handkar, volgeladen met spullen, oma vastgebonden
bovenop in een leunstoel en ik met een singel over mijn borst om de kar te trekken.

Mevrouw Jahnke en haar dochter duwden aan de achterzijde en zo hebben we de afstand van
ongeveer 20 kilometer overbrugd. Onderweg werden we beschoten en doken we in de berm.
Oma was zo gauw niet los te maken, dus die moest blijven zitten en hopen, dat zij niet geraakt
zou worden. Ze bestierf het, maar heeft het overleefd.

In Lüneburg aangekomen konden wij bij ene mevrouw Mandel een paar kamers huren; haar
man was gesneuveld. Om je heen hoorde je niet anders. Een moeder vertelde mij, dat zij haar
man en vijf zonen had verloren.

Een paar dagen later werden wij bevrijd. Door honger gedreven hadden wij een stuk tuin
omgespit en potertjes geplant. Ik heb ze nooit zien opkomen. Wel kreeg ik tijdens het spitten
een blaar, waaraan ik geen aandacht besteedde. Door het spitten ging na enkele dagen de
blaar open en werd de hand ontzettend dik en zwart. Ik bleek een zware, zogenaamde
gasphlegmone te hebben. De pijn was zo onverdraaglijk, dat ik zelfs tijdens ‘Sperrzeit’ buiten
de pijn liep te verbijten en hulp zocht. Ik werd opgepakt door een soldaat, die een Belg bleek te
zijn in het Engelse leger. Hij bracht mij onmiddellijk naar een lazaret, waar het gezwel werd
opengemaakt. De stank, die uit het gezwel opsteeg, was afgrijselijk. Op een gegeven moment
stonden er vier legerartsen om mijn bed, die mij onmiddellijk naar het ‘Städtischer Krankenhaus’
stuurden, alwaar ik moest wachten op een echte dokter. Die is gekomen en die heeft mij
gered. Hij kwam net van het front en miste een been en aangezien ik huilde, dat ik nooit meer
piano zou kunnen spelen moest ik een verklaring tekenen. Die verklaring hield in, dat indien
de operatie zou mislukken, ik bekend en akkoord was met het noodzakelijk verlies van mijn
hele arm. Ik ben hem nog dankbaar. De hand is niet meer moeders mooiste, maar wie het niet
weet moet goed kijken om de gevolgen van de operatie te zien, want met plastische chirurgie is
veel te bereiken. Het pianospelen heb ik moeten opgeven.

Na weken in het ziekenhuis te hebben gelegen en zeer veel fysiotherapie te hebben ondergaan
kon ik eindelijk het ziekenhuis verlaten. Je kon je melden voor terugkeer naar Nederland en na
weken wachten was er een transport van vrachtwagens, waarbij ik mee kon.
Op 15 augustus 1945 kwam ik thuis.

Ik ben blij, dat er nu een website is, waar je herinneringen uit die moeilijke tijd kwijt kan.
Je kon er nooit en nog steeds niet over praten. Je vader was fout.

2 opmerkingen:

reiny zei

En zo krijg je jarenlang alle lasten te dragen waar je totaal buitenstaat en niet aan kon doen.
Het is onbegrijpelijk voor mij dat mensen zo wreed tegenover anderen kunnen zijn.
Bedankt voor dit stuk geschiedenis van zomaar een gewoon goed mens die vernederd wordt door dat zijn vader achteraf een onjuiste beslissing nam.

R zei

Zo fout was je vader niet. Kijk wat er nu van nederland terecht gekomen is...

Een reactie plaatsen

<>Vakantie vanaf Brussel Airport